Nederlandstalige gedichten Jos Letschert




Beeldhouwen en poëzie zijn nauw met elkaar verbonden kunstzinnige vormen van expressie. Beide disciplines streven naar het comprimeren van ideeën, concepten, opvattingen en gedachten. Uiteindelijk is de gecondenseerde vorm anders, maar de bedoelingen zijn vergelijkbaar. De beeldhouwer is een materiële dichter, de dichter is een beeldhouwer met woorden.

Mijn moedertaal is het Nederlands. Ik schrijf mijn gedichten altijd het eerst in het Nederlands. De vertalingen ontstaan op basis van deze Nederlandse teksten. De vertalingen in het Duits zijn van de hand van Beate Letschert. Tekstredactie van alle gedichten is ook verzorgd door Beate Letschert.

Gedichten




Was ik een kraai,

ik vulde mijn snavel

met witte inkt,

om elke dag iets 

te betekenen.






Tuin

 

Een meidoornhaag geplant,

wat rhododendrons verplaatst,

een buxus in een pot gezet,

de rozen opgebonden.

 

Zo hier en daar wat ingegrepen,

in de kleine orde van dit leven.

Vuile handen gemaakt, onkruid 

gewied, gedachten gebundeld,

woorden water gegeven.

 

 

 

 

Ongerijmd

 

Geen woord

op papier gezet,

geen gedachte 

geordend.

De leegte gelaten.

 

Alleen wat glossen,

bij niet geschreven

frasen. Betekenis 

valt niet te rijmen.



Toeval

 

Ik houd me niet echt bezig 

met vragen als: Is toeval 

wel toevallig? of: Wat is 

geluk nog in dit land?

 

Maar toevallige gedachten

verzamel ik met juttershand.

 

Glimmende schatten,

stranddieverij,

bevallige gedichten,

geluk in het zand.

 

 

 

 

Ongedurigheid

 

Verlangen 

kenmerkt mijn 

bestaan:

een ander huis,

een ander land,

een andere wijn, 

een ander boek.

 

Anders dan mijn 

daden, laat het zich 

niet door maat of 

grens beperken. 

Geen ontevredenheid 

is het, ongedurigheid 

eerder, of zo.

 

Een nieuwe trui,

een vreemde vrouw,

een vergezicht, 

een stilleven,

een ander gedicht.

 

 

 

 

Soap

 

Ik mag haar graag,

zoals ze loopt en denkt,

haar blikken richt,

de mond voorbij praat.

 

Ze beleeft de dingen 

zeer intens, soms zegt ze 

zinnen van de soap,

geëxalteerde werkelijkheid,

maar ook: Gaat het nog 

regenen vandaag?

 

Ik kijk vast uit

naar wat er morgen 

komen gaat: een 

rozenrode droom, 

of een buitje, dat 

weer overwaait.

 

 

 

 

Ogenblik

 

Een kort moment

van liefde. Waanzin

van een ogenblik.

Een hart op hol. 

Ogen, in elkaar

verloren. Lichtzinnig

bedrogen. Geluk

naar god.

 

Dat zijn de momenten,

die voor de dichtkunst

zo attractief zijn.

 

 

 

 

Vroege ochtend

 

Heb jij de vroege 

ochtend ook zo lief?

Ik heb al thee gezet.

 

Een krant, gevouwen 

als een nieuw overhemd,

ligt tussen onze borden in.

 

Wil jij het binnenland,

of liever sport?

En lees je me dan

af en toe wat voor?

 

 

 

 

Vanagloria

 

Bladeren

op de grijze grond,

nat van regen.

De heg een staketsel

van takken en stekels,

verzamelde narrenstokken.

Wat verwacht je meer

van meidoorn in november?

 

 

 


Deprimerend

 

Niets is zo deprimerend als

bruin blad in niet weglopend

water op een zwartgeteerd 

plat dak, tussen stukken oude 

kranten, een plastic tas, een 

kapotte bierfles.

 

Plattegrond van voorbije dingen,

onachtzaam ontworpen door 

opzet of stom toeval. Narratief 

van een treurig leven.

 

 

 

Van E naar A en omgekeerd

 

Vaak reis ik van E naar A

en omgekeerd. Ik ken de 

ver- en de dichtbijgezichten

aan beide zijden van het spoor.

 

En tussen E en A denk ik:

Waar ik mij thuis wens, wil 

ik wonen, en waar ik woon, 

wens ik mij thuis.

 

 

 

 

Grand Place Brussel

 

Het plein is geplaveid

met plassen en rotzooi

van regen en voorbije markt.

 

Er vloeide bloed van graven 

en grauw. Gemind is er en 

gevochten, door tere zielen

en zatte lappen. Zeker en 

vast zijn er ook vogeltjes 

verkocht, met vlotte praat, 

op natte schoenen.

 

 

 

 

North Bridge Edinburgh

 

De brug welft over park en spoor,

verbindt de oude met de nieuwe stad,

maar oud is eigenlijk alles hier,

door de van rook en zure regen 

grauw geworden stenen.

 

De dagen zijn er niet zo lang.

Daglicht heeft geen noemenswaardige 

levensduur. Blauwe lucht lijkt hier 

nooit te zijn uitgevonden.

 

Maar dan de avonden, in kroegen 

met het lauwe bier, en de verhalen 

hoe het vroeger was, en nooit meer 

worden zal. Of toch?

 

 

 


Verlangen

 

Op de grens 

van zee en zand,

kan ik geen keuze 

maken.

 

Verlangen naar

de andere kant.

Terwijl ik droom,

wil ik ontwaken,

als ik wakker ben,

probeer ik om

te slapen.

 

 

 


Kade

 

Een zwartgeteerde, 

zoutverweerde paal,

geklemd aan de kade, 

daarnaast een ijzeren

ladder, niet verder dan 

halfweegs naar onderen,

met bogen voor hulp 

aan optrekkende handen.

Een rand van beton, 

fel oranje geverfd:

hier eindigt het land, 

begint de zee.

 

Hoe hoog moet de 

vloed zijn voor een 

dwalende schipper?

Kent hij het uur, 

het juiste moment?

Wat beweegt hem 

om hier aan te leggen,

zijn vaartuig te laten 

en met zijn laarzen

de verf op het land 

te schrapen?

 

Hoe laag kan de eb zijn, 

om het land te verlaten, 

om van de laatste trede

de sprong te wagen naar 

het hout van de boot?

 

Kent hij het ogenblik, 

of vertrouwt hij het toeval, 

zoals de lijnen in het zand,

schijnbaar zonder grond?

 

 

 

 

Zand in september

 

Zand, niets dan zand

en water, je stappen

verdrinken als mijn

schoorvoetende

gedachten. Zee komt

en gaat.

 

De zoom van je 

kuitlange jurk kleurt 

donkerroze door het

schuim van golven 

die je voeten omspoelen,

even maar, voordat ze

zich schielijk terugtrekken,

als verliefde, maar 

verlegen pubers.

 

 

 


Zee bij Sylt

 

Zee, alleen zee,

geen golf die het aandurft

om een kop op te steken.

 

Verwachtingsvol ben ik,

als een zwerm meeuwen

achter een viskotter.

 

Waaraan denk je, vraag je,

waaraan denk ik, denk ik,

hoog op het duin tussen

Kampen en List.

 

Als je het me vraagt,

weet ik het niet, 

als je het me niet vraagt, 

weet ik het.

 

 



Kind

 

Je bent een kind,

ik zie je duidelijk voor mij.

Je speelt in de tuin

met het zwarte zand,

de hark en de emmer.

 

Op één been hinkel je

op het pad in het gras

en tel je de kiezels

die je tegenkomt.

Geen sla je over.

 

Je verzamelt gedachten

als bloemen voor een boeket.

Al zo lang ben je kind

in deze tuin.

 

 

 

Momenten

 

Koester je

momenten

van geluk.

Verzeker je

van warmte

voor kille uren.

 

Een vogel vliegt

voorbij.

De telefoon gaat.

De krant komt.

Theewater kookt.

 

Ik hou van jou,

vandaag,

niet meer bijzonder

dan morgen, denk ik,

maar bijzonder meer

dan gisteren, of als

ik je nu zeggen kan.

 

 

 

 

 

Een geheime tuin

 

Soms, voordat de avond valt,

lopen we op afvallig blad

en onbezonnen kronkelpaden,

onder het oude hout van een 

geheime tuin. En niemand 

weet hoe je er komen kunt,

jij ook niet.

 

Het is een tuin van een bedenkelijk 

allooi, niet van tevoren overdacht 

beplant. Je vindt er struiken zonder 

blad, maar dat komt door het 

jaargetijde. Het toeval is er de tuinier,

bezoekers worden niet verwacht.

Wie er ronddoolt op een late avond,

wordt zelf een deel van het geheim.

 


 

Stijlkamers

 

Wie ‘s avonds wandelen gaat

in oude hollandse binnensteden,

ziet in het voorbijgaan soms,

in het schemerlicht van lampen,

door niet afgesloten vensters en

tussen het groen van kamerplanten,

in decent gebloemde cachepots,

nog glimpen van stijlkamers.

 

Huiselijke intimiteit, eigenlijk verscholen,

maar tegelijk zo open opgedekt,

wordt slechts terloops bewaakt

door stijlvolle deuren, grachtengroen,

bij zwart af en met een koperen knop.

Op ooghoogte handgeschilderd

een naam of nummer in een zwierig,

maar chique lettertype.

 

De wandelaar gaat er respectvol

aan voorbij, even de gang vertragend,

de stappen voor een moment ingehouden.

Zijn blik dringt naar binnen:

waarnemend, toevallig, verlangend?

Hij ziet mij niet.

 

De wandelaar is alweer voorbij.

Ik hoor zijn stappen nog. Ze klinken

als in een Impromptu van Schubert.

 

 

 

 

Impromptu

 

Witte verf als verse sneeuw,

gemorst op platgelopen gras,

op afvallig blad of kale steen,

of eenvoudigweg verloren

in een plas water,

in smeulend vuur:

ondergrond.

 

Een niet vooruitbedacht patroon,

ongeordende ogenblikken

ontwikkelen improviserend

bewoonbare gedachten

met een tedere structuur:

bovengrond.

 

 

 

Krassen en strepen

 

Tussen krassen en strepen

lichten kleuren op,

vluchten vormen en lijnen,

raken beelden op drift.

 

Wat ik vastleg, bestrijd ik,

wat ik loslaat,

wil ik niet afgeven.

 

Veel moet worden toegevoegd,

om duidelijk te maken,

wat ik weglaat.

 

 

 

 

Niets is eenvoudig

 

Een woord verzinnen 

voor een ongerijmd gedicht,

de zin verwoorden

en een begrip verbeelden,

vandaag een foto maken

van wat morgen pas gebeurt,

je herinneren aan iets dat

nog niet is geweest, of:

geluk van toeval ontdoen.

 

Niets is eenvoudig.

Gemak dient de mens niet.

Opgeven loont niet.

Veel is de moeite waard.

 

 

 

 

Te gecompliceerd

 

Hoe ver weg kun je zijn,

als je dichtbij bent?

Kun je verte verzinnen,

hoe lang duurt een spel?

Wat is het meervoud

van enkelvoud?

Wanneer is iets af,

of zal het dan pas

beginnen?

 

Simpelheid laat

zich niet dicteren,

zoals: te gecompliceerd,

meneer Schubert.

Wij houden niet zo

van complexen.

 

Waar ben je nu?

Ik kan je niet spelen,

nareizen, meenemen.

Ik heb je liever dan liefst,

steeds om me heen,

vooral als je weg bent,

ja dan, vooral

als je weg bent,

met al je noten

op je zang.

 

 

 

 

Sneeuw van gisteren (1)

 

In sneeuw van gisteren

kun je bij voldoende dooi

nog fragmenten vinden

van verloren gewaande 

gedachten.

 

 

 


Waarheden

 

Als het waar is,

hoe lang al, of

hoe lang nog?

Voor wie dan?

 

Als het waar is,

is het vaak te

mooi om waar

te zijn, of hooguit

voor een of twee

nog onbevangen

ogenblikken, en

dan is het ook

gelijk weer

anders toch,

niet waar?

 

 

 

 

Zulke avonden

 

Ik ben vanavond

op visite 

bij mijzelf.

 

Niet veel aan,

een leeg glas,

weinig licht.

 

Ik kijk verstolen

op de klok, of ik

al kan gaan.

 

 

 

 

Tekenend

 

Zwenkend tussen

uiterlijkheden en

overwegingen

bedenk ik lange

dunne lijnen, korte

strepen, vlakken.

Alles geen punt.

 

Zwervend over 

plat papieren

landschap schep

ik ruimte en andere

falsificaties, soms

met sprongen, vaak

ook in een trage 

gang, of stappend.

 

Ik strooi voer

voor sporenzoekers en 

betekenisverbergende

krassen voor noeste

handschriftlezers.

 

 


Kraai

 

Het lastige

aan kraai te zijn:

onhandig snavel je

je door de dag.

 

Was ik een kraai,

ik vulde mijn snavel

met witte inkt,

om elke dag iets 

te betekenen.

 



Teveel

 

Van lange gedichten

houd ik niet zo. Vier,

vijf regels is eigenlijk

al teveel. Beschaamd

lees ik ze als proces-

verbaal van emoties:

droefheid, treurnis en

andersoortige ellende.

Wat vertrouwen ze je

toe, die dichters, met

hun doodsverlangen,

een immer onbereikbaar,

desalniettemin verloren

lief, het schamel lichaam,

of vertwijfeling over

een sloom bestaan.

 

Royaal daarentegen

kan ik uitweiden in een

tekening: drie, vier, wel

veertig bladen zouden het

mogen zijn, doorlopend

van het ene papier naar

het andere, voor- en 

achterkant, maar een

gedicht, nou nee,

vier, vijf regels is

eigenlijk al teveel.

 

 

Woorden

 

Guitig, zo’n woord

is het, je kent het wel,

maar niet precies.

 

Zoiets als bijster,

je bent het snel 

kwijt, als het spoor

bijvoorbeeld.

 

 

 

Woordenboeken

 

Van woordenboeken

heb ik zinnenboeken

nog het liefst.

 

Ik lees ze van

achter naar voren,

op zoek naar het begin,

net als in tekeningen.

 

 

 

 

Praatbewegingen

 

Ik zie je praten,

van een afstand,

met hier en daar

onderbrekingen,

dat wil zeggen:

ik zie de dislocatie

van praatbewegingen,

ze komen af en aan,

pulserend, blazend,

soms zoutend, vaak

dragend, ook wel

verschietend, of

traag onderduikend,

zonder hoorbare

woorden, in een

zinloze zee.

 

 

 


Foto

 

Hoe jij een foto

maakt, nee,

voorbereidt –

 

motieven ver

te zoeken, zoiets

als vlotte vinger-

sporen, wildgroei,

vrachtwagendagen,

kermisquatsch, of

venstervocht.

 

Diafragma’s,

sluitertijden, als

hamers, spijkers,

beitels, het beeld

ga je ermee te lijf,

 

hoe zelfs uit niets,

iets wordt dat

er op wacht om

betrapt te worden.

 

 

 

 

Sluitertijd

 

Wat er was

is niet weg,

al kun je het

niet aanraken,

het raakt immer.

 

Herinneringen

worden mooier

op den duur

na het sluiten

van de tijd.

 

 

 

 

Sjamberloek

 

Steeds dat beeld 

voor ogen, een 

toevallig geziene foto, 

Paul Verlaine, logerend 

bij Willem Witsen en 

Isaac Israels, twee weken 

Holland, 1892, hovaardig

bijna bezitnemend van 

die dichterlijk intussen 

al zo vaak betreden kamer, 

zittend in een oude zijden

geborduurde chinese 

kamermantel, sjamberloek, 

geleend van Isaac, een 

bonte bladerpracht, een 

herfstlied, ja, gezongen 

op binnenvallend licht, 

vastgehouden met de 

monochrome glans van 

zilvergelatine, en nu, 

steeds weer, dat beeld

voor ogen.

 

 

 

 

Bladgoud

 

Je belde op

maar niet aan,

 

laatste resten

van bladgoud

kleven hardnekkig

aan mijn vingers,

 

ik haalde je over

maar niet op,

 

het is er niet zo

van gekomen,

 

dat alles op zijn

plaats viel,

 

dat dacht ik toen

onwennig, en veel 

te laat natuurlijk,

 

schuilend voor

regen en tranen.

 


 

 

Verdwaald

 

Zolang je niet weet

waar je heen moet,

ben je de weg

nog niet kwijt.

 

Als je het weet,

waar je heen wilt, 

maar niet precies 

hoe je er komt, 

nou, dan ben je 

verdwaald.

 

 

 

 

Zoals een blad valt

 

Min of meer dansend,

wiegend eigenlijk -

of beter: wijfelend,

 

wilde je er eerst nog

over vertellen, maar

 

wist niet waar

of wanneer

het begonnen was,

 

heb toen alleen nog

maar gekeken, naar hoe

onontkoombaar zelfs

een dansend blad

toch valt.

 

 

 

 

Alsof

 

Alsof het niet

altijd zo was,

 

we hebben gelezen

en gelachen,

 

wat je me niet

vertelde heb ik

onthouden en

vergeten wat je zei,

 

door het raam

keken we naar

elkaar en naar

dingen die zich

ijdel en tuitig

spiegelden

in het glas,

 

alsof het niet

altijd zo was, maar 

zo was het niet.

 

 

 

 

Wentelkraam

 

Wat mensen

zich aandoen,

achterklap en

wentelkraam,

gestolde nijd,

bedorven angst,

treurigheid en 

tierelantijn.

 

Onvertogen

zondagsschilders,

hondenoppassers,

lantaarnopstekers.

 

De avond vrees 

ik, de nacht ken ik 

niet, de morgen 

beleef ik niet, mensen 

zie ik voorbijgaan

op hun sneue weg

naar andermans 

verdriet.

 

 

 

 

Slecht gezelschap

 

Jij kent ze niet, zij

kennen daarentegen jou,

en op een dag zo zwart

als een piano, maar met

altijd nog muziek erin,

verzamelt Zwodderkous

de Havelaar, verhaspelt

Labberlot de halfvergane

resten van onnodige allure,

strapatsen onder het

vooringenomen oog van

Onevaar, dat nutteloos

lekveld.

 

Straathonden, cherubijnen,

gauwdieven, duvelstoejagers,

chicanerende kompanen

in een trijterend leven.

 


 

Collaterale schade

 

Wellicht zoiets,

of toch wat anders?

Zo is het dan

gelopen, niet?

Ik weet het zeker.

Zeg ook eens wat,

jij, kruipend door

de modder, dwepend

met verlepte veren

en een godvergeten

wachtwoord, verlamde

handen, grabbelende

goochelaar, ontglippende

koningsdochter, ik had

je liever dan jij mij,

meende ik onterecht,

maar dat was na de

storm, na het krijsen 

van kettingzagen.

Ik vermoed de angst

van vogels. Het lijkt ze

niets te doen.

 

 

 

 

Eerste verdriet

 

Ik weet niet meer

hoe oud ik was.

Ik had een step.

Hoe oud ben je

als je een step hebt:

vier, vijf jaar?

 

De step had een 

opklapbaar rekje

over het achterwiel,

waarop je al rijdend

kon gaan zitten,

althans met voldoende

bij elkaar gestepte

snelheid natuurlijk.

 

Ik zat er niet zo heel

vaak op, dat rekje

was gereserveerd

voor beer, zijn poten

geklemd onder de 

zwarte dragers:

steppen maar.

 

Tot dat ene fatale

moment: had hij

de benen genomen,

of was hij er gewoon 

vanaf gevallen?

 

Tot nu nog herinnerde

ontroostbare droefheid:

mijn eerste grote verdriet.

 

 

 

 

De laatste Indiaan

 

Er liepen nog paarden

in de „Horseweide“.

Mijn opa beende

met grote stappen

door het natte gras,

met dubbele stappen

ging ik naast hem.

 

Hij sneed takken

van een boom en 

uit zijn zak haalde

hij touw. De grootste 

tak spande hij tot 

boog, andere puntte 

hij tot pijlen. Het restje

touw werd om mijn

haar geknoopt, een

eendeveer erin.

 

Opeens was ik een 

indiaan en opa 

opperhoofd, met 

een Hofnar in zijn 

kop – zijn favoriete 

merk sigaren. 

 

Nu staan er huizen

in de „Horseweide“,

paarden zie je er

niet meer. Daar was

ik ooit gelukkig en

de laatste indiaan.

 

 

 

Ouder wordend

 

Minder wetend,

meer vermoedend,

niet meer gelovend,

eerder hopend,

twijfelend vooral,

en veel intuïtiever

dan voorheen.

 

Hoe ouder ook,

des te ongeduldiger,

er is niet meer

zo veel tijd.

 

 

 

 

Alibivliegeren

 

Vroeger maakten wij vliegers,

nou ja, mijn vader maakte 

vliegers voor mij, dat wil zeggen: 

ik mocht er niet aankomen, 

hooguit bij het oplaten, wat

een heel proces was. Eerst 

moest het touw eraan, niet 

vastgeknoopt, maar met twee 

lucifers door de lus van het tuig. 

Daarna hard lopen, mijn vader 

bedoel ik. Vaak was de staart 

te zwaar, of juist te licht, dan 

moest papier eraf, of erbij. 

Dan weer lopen. Als hij stond, 

de vlieger dus, mocht ik af en 

toe het touw vasthouden, nou ja, 

mijn vader hield de klos vast, 

een stuk hout met twee 

uitstekende latjes, wat het 

afwikkelen en oprollen zeer 

bevorderde. Ik mocht dus even 

aan het touw zitten, voelde 

de spanning op de draad van de 

trekkende vlieger, zich verzettend 

tegen de wind, het touw in een 

lange boog, van onze handen tot 

in de lucht. Soms stuurden we 

boodschappen naar boven, nou ja, 

mijn vader dan, stukjes papier tot 

het midden ingescheurd, om het 

touw geschoven zo hoog als het 

ging, waarna de wind het overnam. 

Na een tijd werd de vlieger weer 

ingehaald, meter voor meter het 

touw oprollend. Soms ook ging 

een vlieger verloren, door een 

rukwind, een te scherp ingezette 

daling, een touwbreuk. Dat was 

spijtig, maar ook mooi, dan konden 

we een nieuwe vlieger maken, 

nou ja, mijn vader dan, voor mij, 

als alibi.

 

 

 

 

Een boot bouwen

 

Vier jaar was ik, of

zoiets ongeveer, net 

in de kleuterklas. Ik 

bouwde met blokken 

een boot, samen met

- zijn naam ben ik vergeten -,

en die nonnen daar, die

begrepen tenminste dat 

we dat ding aan het einde

van de middag niet konden

opruimen.

 

Mijn grootvader is een

loodgieter, zei ik tegen

- zijn naam ben ik vergeten -,

hij kan alles maken, een roer 

bijvoorbeeld, dan varen we 

morgen weg. Ik geloofde echt 

dat we konden varen, ik was 

ervan overtuigd. Zoveel heb

ik later nog geloofd, wat ik 

daarna weer kwijtgeraakt ben, 

maar dat we konden varen 

met dit zelfgebouwde schip, 

dat geloof heb ik tot op heden 

nog bewaard.

 



 

Vloeipapier

 

Als kind had ik 

op school een 

kroontjespen, 

een inktpot in 

de lessenaar, 

een vloeipapier. 

 

De natte woorden 

werden, meer of 

minder goed gelukt, 

gedept en opgezogen 

in het vloei, daarmee

omgekeerd gedrukt. 

 

Wat ik zojuist had 

opgeschreven, werd 

zodoende direct 

uitgegeven, wat niet 

zo vaak gebeurde 

in mijn verder leven.

 

 

 

Eens geweest

 

Eens geweest is soms

nog mogelijk, maar niet

altijd. Waar ooit mijn 

huis was, is het huis er 

nog, maar niet van mij.

 

Ik schilder het niet meer,

ook niet om het op

te kalefateren.

 

 


 

Zeker weten

 

Als je me zegt

dat je het niet weet,

betekent dat niet

dat je het niet weet.

Waarschijnlijk weet

je het wel, maar niet

voldoende om te 

kunnen zeggen of 

het wetenswaardig

is, of niet zeker genoeg

om het in woorden

te willen vastleggen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Mythologische gedichten


Paradoxaal

 

Onbewust 

het altijd 

al geweten, 

nooit zo

begrepen 

evenwel.

 

Meningen, 

leugens, 

verklaringen, 

wijsheden, 

rechtvaardiging, 

hoop, tegen

verwachting.

 

Mythen: 

dragers van 

vrees en 

verlangen, 

consequent 

tegenstrijdig, 

paradoxaal 

en de goden 

verzoekend.

 

 

 

 

Chaos

 

Volkomen 

leegte - Chaos 

is haar naam -

baarde Nyx, 

donkere nacht,

en Erebos,

uitzichtsloze

duisternis.

 

Hun kroost

dwaalt nog

onder ons.

Aether: lucht 

die omhult;

Hemera: de 

te korte, of 

te lange dag;

Momos: eigen 

of andermans 

schuld, immer 

kwalijk kwellend;

Ponos: tergende 

inspanning;

Moros: onheil

dat niet heelt;

Thanatos: dood, 

wrede overvaller;

Hypnos: slaap, 

verkwikkend of

verstikkend;

Nemesis: wraak; 

Apate: misleiding;

Philotes: buiten-

beentje vriendschap;

Geras: slopende 

en onomkeerbare

wrede ouderdom;

Eris: terugkerende

conflicten.

 

Goden! Sta ons bij, 

of eigenlijk: liever niet.

 

 

 

  

Bedenktijd

 

Tijd was 

niet lineair,

verbeelding 

nog een 

goede vriend. 

Jong was ik, 

misschien een

paar honderd 

levens, te tellen 

op vingers van 

tien handen, of 

vijf voeten en 

vijf handen, 

overzichtelijk 

in elk geval. 

Vaak moest ik 

daar aan denken, 

voordat ik werd 

geboren. 

 

Met  tegenzin 

herinner ik mij 

de weg die nog 

te  gaan is, aan 

chaos voorbij.

 

 

 

 

Na de ijstijd

 

Totdat het 

ophoudt, je 

staat er niet 

bij stil, veel 

wordt vergeten 

op den duur.

 

Geen enkele

herkenbare 

aanleiding, ook 

geen herinnerd 

moment aan wat 

ik nooit kon laten, 

maar nu toch niet 

meer doe, zoals: 

schaatsen op 

bevroren meren, 

als in een gestold 

stilleven, op een 

doorreis van nergens 

naar niets.

 

 

 

 

Lange reis

 

En als je gaat,

nog één kusje 

dan, het is zo’n 

lange reis en ik 

kan niet met je 

mee.

 

Het is een reis 

die je niet zelf 

hebt uitgekozen, 

je weet niet eens 

waarheen, en of je 

voor daarginds,

wellicht iets mee 

moet nemen,

een jas, een tas, 

een hoed, 

of zo.

 

Nog één kusje 

dan, voordat je 

gaat, het is zo’n 

lange reis. Er is 

geen god die op 

je wacht. Jouw 

god heb je zojuist 

verlaten.

 

 

 

 

Met andere ogen

 

Ik wil jouw aandacht,

jouw opmerkzaamheid,

opdat ik weten kan

dat jij mij ziet, en dat 

je alles waarneemt 

wat ik doe of laat, en 

dat je hoort wat ik 

verzwijg, of fluisterend

tegen je zeg.

 

Wie ben ik als er 

niemand is die merkt 

dat ik er ben? Ik ben er 

pas als je echt naar me 

kijkt, en heel misschien 

zie je me dan - dit keer

met andere ogen.

 

 

 

 

Verbroken

 

Wat is er over als

er niets meer is?

Bodemloze ruimte

misschien, resten

van een membraan,

natrillen van verbroken

verbinding wellicht,

of gebrek aan 

verwondering.

 

 

 

 

Interface

 

Onder 

maskers

verbergen 

zich andere

geleende

gezichten, 

net als daar 

weer onder. 

 

Verschijnend, 

verdwijnend,

sprekend

in vele talen,

die ze niet

beheersen.

 

 

 

 

Aanlanden

 

Voor het aanlanden 

de ogen gesloten,

onzeker nog, ook

verwachtingsvol.

 

Er wacht wellicht 

een afwijzing, zonder 

redelijke verklaring, 

zoals veren aan een 

stok gebonden, een 

vogelkop, een dode 

mus, of een ander 

totem voor lokale

ingewijden.

 

De morgen schijnt 

niet bewoonbaar: 

een allang verlaten 

papieren wespennest, 

door zoekende kraaien 

kapot gereten. 

 

Het water is aflandig.

Niets wijst op een 

gelukkige afloop. Ik 

ben aangekomen, om 

gelijk weer te verdwalen.

 

 

 

 

Voorouders

 

Een kind ben ik 

van vele ouders,

voorgangers 

stapelend in en 

op mijn hoofd. 

 

Ik draag ze mee 

als penaten, 

fetisjen, vaak een 

last, steeds hopend 

op schoorvoetende

zegen. De meesten 

zijn mij vreemd en ver. 

 

In gedachten reis ik 

terug naar van waar 

ik kwam, onderweg 

tekens koesterend, 

grenzen verleggend, 

vogels bevragend, 

schaduwen bevechtend,

woedend op voorbije 

tijd, zoekend naar een 

onzekere bestemming.

 

 

 

 

Witte kraaien

 

Dwalend in vreemde 

plaatsen, van geen 

de toekomst kennende, 

noch het verleden: vlijtige 

boodschappers van dwaze 

goden, die doen wat ze 

liever zouden laten, niets 

menselijks is hen vreemd.

 

Witte kraaien, ze vertellen 

slechts wat ze zien, tegen 

beter weten in, zwartgemaakt 

worden ze sowieso, hoewel 

ze schuldig zijn aan niets.

 

 

 

 

Laertes

 

Je hoeft niet meer

zonodig, keer op

keer, jezelf te

bewijzen.

 

Jouw vergezichten

zijn bedekt door

een ragfijne sluier

van ootmoed – 

alleen herinneringen

houden je op de been,

wellicht ook nog een

spoor van hoop.

 

Vogels vliegen 

af en aan in 

schaduwen tegen

de wand: voer voor 

dromers en gretige 

profeten.

 

 

 

 

Priamos‘ Lamento

 

Koning ben ik van deze rijke stad,

zoals eens mijn vader Laomedon,

mijn opa Ilos, Tros daarvoor, 

Erichthonios, en de stichter 

Dardanos. Ik ken hier alle mensen, 

de mensen kennen mij. Ik ken

de wind, de geuren van de markt,

de schepen in de haven. Vaak is 

het hier warm, ik heb het meestal 

koud, mijn lijf verstijft, misschien 

door het verstrijken van jaren, 

of als voorteken van tijd waarin 

niets blijft.

 

Mijn kinderen, groot in getal,

zijn mooi en liefdevol. Ik koester

ze en noem ze bij hun namen: 

Kassandra die mij het liefste, maar 

vaak ook onbegrijpelijk is; Hektor, 

de oudste, sterkste en beoogde vorst; 

Polyxena, Troilos, al die anderen, ja, 

zelfs Paris die ik in een herderstas 

heb afgedankt - doden kon ik hem 

niet - ik heb hem doodgewaand,

tot voor kort.

 

Langs Skamanders‘ oever luister

ik naar het ruisen van de stroom:

dreiging van oude voorspelling. 

Een vloot is onderweg om Helena 

terug te halen, mijn volk, mijn stad 

en mij straffend voor alles wat ik 

wellicht had moeten doen, maar 

stijfkoppig naliet. Het lot zal ik 

tarten, tegen beter weten in. 

Bij de Skaïsche poort gekomen 

blijf ik even staan. Hier komt 

niemand door als ik dat niet wil.

 

As strooi ik op mijn hoofd 

en ‘s avonds bij een warmend vuur, 

luister ik naar zangers en hun lier. 

Wat wordt er later over mij gezongen? 

Opnieuw krijg ik het koud, het koudst 

krijg ik het om mijn hart.

 

 

 

 

Speelbal Menelaos

 

Benijd door alle vrijers,

weggelopen met de 

verrukkelijke Helena. 

Voor even gaat het 

goed, maar het is niet 

altijd eenvoudig om 

Menelaos te zijn. Die 

verdomde dominerende 

broer, die parasiet Paris, 

die overspelige vrouw, 

die zich voordoet als 

fantoom, of schaduw 

van een wolk. 

 

Aan het einde dan 

Elysische velden, 

overvloed aan alles:

nektar en ambrozijn,  

en eeuwige verveling.

 

 

 

 

Trojaan

 

Eerste zet: dame

ontvoerd, niet geheel

tegen haar wil.

 

Laatste zet: game over

wegens een verraderlijk 

paard.

 

Ondertussen: een hoop

pionnen verspeeld.

 

De vingers van de

dageraad betasten de

verbrande resten van 

een zo onneembaar 

geleken veste.

 

 

 

 

Trojaanse vrouw
 

Ik had je tegen 

kunnen komen, 

om de hoek, of 

op de markt, buiten 

de stadsmuren van 

Troje. Alleen toeval 

zat ons in de weg, 

en een kleinigheid 

van dertig eeuwen. 

Je nam al afscheid 

voor ik aan kon 

komen.

 

Vanwege tijd zijn 

we gescheiden van

elkaar, je mogelijke 

gezichten zijn in mijn

hoofd verankerd. 

Ze veranderen voort-

durend, net als de

verhalen die ik over 

je vertel.

 

 

 

 

Mogelijke gezichten

 

De verscheidenheid

van licht, duisternis,

beeldhouwers van jouw 

gezicht, veranderend

terwijl ik er naar kijk. 

 

Ik zie je vaak, ik ken je 

uiterlijk, je silhouet, 

alle contouren, maar 

niet waaraan je denkt,

of hoe je je voelt.

 

Trojaanse vrouw, ik heb 

je nooit gekend, maar dat 

weerhoudt me er niet van

jouw mogelijke gezichten 

te beschrijven.

 

 

 

 

Andromaches klaaglied

 

Hektor, elegante held,

je hebt Patroklos verslagen,

lief en wapenbroeder van

Achilles, die je dat nooit

vergeeft.

 

Ik, Andromache, jouw 

vrouw, en ook de moeder 

van een toekomstloze 

zoon, weent en weeklaagt

bij het vooruitzicht van 

ons fnuikend lot.

 

Homeros daarentegen,

de vlijtige verzamelaar

van gruwelijke verhalen,

wrijft zich, terugblikkend 

op die sores, vergenoegd

de handen.

 

 

 

 

Hektor’s laatste gevecht

 

Daglicht is nog niet

geheel verdwenen,

op de velden voor

de poorten van mijn

verheven stad.

 

Het beest komt er al

aan, ik ben zijn prooi.

Het kind roept: "Papa,

papa!", en ik vervloek 

mijn lot. Mensen staren 

als versteend van hoge 

muren, naar een gewenste 

koning die dat nooit zal zijn. 

 

De meedogenloze jager 

drijft mij drie keer om de 

wallen, totdat ik mij 

wanhopig stel.

 

Als ik val, sterven ook de 

hoop en laatste dromen 

van hen van wie ik houd 

en die ik veel te vroeg 

verlaat.

 

 

 

Prometheus

 

Jij – vooruitdenker – steelt,

met gloed op je wangen, het 

heilig vuur der verbeelding 

van de goden, omwille van 

de beschaving van mensen.

 

Alles heeft zijn prijs en jij 

kent de jouwe. Zeus breekt 

met je, en Hephaistos ketent 

je aan een rots, waar een 

adelaar je lever uitpikt, keer 

op keer, totdat Herakles je 

van dit droevig lot zal bevrijden.

 

Je waarschuwt nog je broer 

Epimetheus, voor de verleiding 

van goddelijke gaven. Deze 

onverbeterlijke achterafdenker 

trouwt toch de mooie Pandora, 

met haar verderfelijk vat, dat zij 

– Proto-Eva – niet lang kan 

weerstaan, tot ellende van 

de mensheid.

 

 

 

 

Glans en gloria

 

Nacht baarde

de broertjes

slaap en dood.

 

Mijn wieg is met

zijde gevoerd en

met tule omhangen.

Ik lig er bijna

bewegingsloos,

gewikkeld als een

mummie op een 

vroeg doodsbed.

 

Wachtend of het

nog ochtend wordt.

Vijfentwintigduizend

keer ging dat al goed

en diende ik de dag,

ondertussen sparend 

voor tafelzilver, 

vleugels, illusies,

hofdames, en nog 

meer glans en gloria. 

 

Tegen beter weten in

en eindeloos lijkende 

tijd, terwijl niks blijft,

ding noch droom, een 

oogopslag, gedicht, nou 

ja, een gedicht wellicht,

voor een kort moment,

tot men het wegdoet.

 

 

 

 

Ithaka vertraagd

 

Verder weg kan ik niet zijn.

Ik reik met tui en mast naar

onmiskenbare signalen uit

Ithaka, waar ik je achterliet.

 

Gevangen in het rag van

schikgodinnen. Ze tornen

- zonder enig mededogen – 

aan de fragiele draden van

mijn verbleekte herkomst.

 

In nevelflarden en

een zachte maan, laat

ondertussen mijn lamento

zich maar moeilijk zingen.

Ik beheers de fado niet, de

blues, noch andere elegieën.

 

Het lonken van tedere, 

gevederde Sirenen, moet ik 

weerstaan om eindelijk naar 

huis te zeilen. 

 

 

 

 

Alkinoos

aan Odysseus

                                  

Ik heb je schip

niet kunnen vinden

op mijn stranden

waar je aanspoelde, 

noch have of goed. 

Jouw verleden bestaat 

uitsluitend uit jezelf. 

 

Je verhalen komen 

langzaam naar boven. 

Ze lijken op epische 

liederen van voorbij

trekkende zangers over 

liefde en oorlog, passie 

en lijden, terugkerend 

verraad. Ik breng je 

naar huis, vagebond.

 

 

 

 

Penelope's overwegingen 

 

Rusteloze zwerver,

ik zie nauwelijks verschil 

tussen mijn donkere dromen 

en die van ivoor. 

 

Wat wil je me vertellen 

tijdens deze lange nacht, 

worstelend met herinneringen, 

proberend je verleden te 

herschikken om een obscure 

toekomst aan te kunnen? 

 

Kun je jezelf bevrijden van 

wat je achtervolgt, of blijft 

het de eeuwige last, die je 

nooit zult verliezen? En wat 

zal ons vooruitzicht zijn, 

als er zoiets is?
 
 

 

 

Anodos - Kathodos

 

Na maandenlange 

karigheid opent aarde 

zich, schuchter en pril, 

wegbereidend voor het

goddelijke opreizen.

 

Maar, cyclisch noodlot,

van dat wat begint, is

het einde al vooruitgezegd, 

traag transformeert de 

nieuwe lente zich in 

lome overdaad.

 

Verborgen voor 

decadente zonnegloed, 

wacht herfst ondertussen, 

met nukkige schelmen-

streken, op het zomerse 

vertrek dat gereed wordt 

gemaakt om uitgeleefd 

te worden.

 

Gure wind en ruige regen

bestemmen nu de dagen,

totdat het winter weer 

behaagt, om af te dalen

- zoals Persephone, dochter

van Demeter: schatplichtig

aan Hades – alle jaren weer.

 

 

 

 

Geluid

 

Wat is het geluid

dat ganzen maken?

Aandachttrekkerij,

brutaliteit, of juist 

zoete tederheid? 

 

Ik ben geen Tiresias, 

vogels versta ik niet,

maar ik herken de

taligheid in het geluid 

dat ganzen maken, 

op een nevelige 

ochtend in de vroege 

herfst, waar ze zijn

neergestreken op 

een grauw meer, 

voor even dan.

 

 

 

 

Kalchas:

gesjeesde profeet

 

Veel heb ik niet 

begrepen, of wilde 

ik misschien niet zien, 

van wat er is of komen 

gaat. Ik ken de taal niet 

van verloren sporen, en 

vaak zie ik pas naderhand, 

verbleekte tekens aan 

de wand.

 

Draadloos ben ik 

verbonden met valse 

noten op mijn zang. 

Het wachtwoord me ooit 

toegezonden, is voor mijn 

geheugen veel te lang.

Bevend zittend op het 

sleetse tijk van een 

rollende stoel, rijd ik 

naar een onafwendbaar 

doel: een afgrond, die ik 

vooruitziende bereik,

lachend tot ik stik.

 

Tijd laat ik vallen als 

nutteloos instrument, 

omarm chaos, doe 

afstand van duur, 

herhalen bestaat niet. 

Ik herken een glimp 

van het goddeloze zijn.

 

 

 

 

 

Vertrouw ze niet

 

We konden het 

weten, Homeros 

heeft het ons 

verteld, zo duidelijk 

dat wie het wil 

ontkennen, wel 

blind moet zijn, 

als de cycloop, 

wiens oog 

Odysseus heeft 

doorboord: wreed, 

maar uit noodzaak 

natuurlijk.

 

Goden: schalken 

zijn het, niets 

menselijks is ze 

vreemd. Vertrouw 

ze niet, niets goeds 

hebben ze in zin.

 

 

 

 

Iphigenia's dilemma


 Een belogen maagd
 ben ik, Achilles slechts 
 een smoes, de man die 
 op mij wacht: mijn eigen 
 vader. Het beloofde 
 bruidsbed is een stenen 
 baar. Een offer ben ik 
 om te zoenen, haast nog 
 een kind, maar blijkbaar
 goed genoeg voor flink 
 wat wind. De vloot moet 
 reilen, de schepen zeilen.
 Troje wacht. 
 
 De getergde godin gaat 
 overstag, maar vindt mijn 
 vroege dood geen goed 
 idee. Ze ruilt mij om met 
 een jong ree. Dit is geen 

plaats voor oponthouden: 

wegwezen en niet grienen. 

Kiss and ride, laat Aulis 

achter je om mij te dienen.
 
 Tien jaren zijn sindsdien 
 verstreken, maar niemand

ging het uit het hoofd. Mijn 

moeder doodde toen mijn 

vader aan het einde van zijn 

reis, mijn broeder daarop 

onze moeder: een waarlijk 

hoge prijs. Ik, stuk ongeluk, 

veroordeelde ondertussen 

– onder zware goddelijke 

druk – alle ongevraagden 

die zich in Artemis' tempel 

waagden. Als priesteres 

vond ik dat redelijk ook, 

tot daar mijn eigen broer 

opdook.
 
 Dilemma, maar daadkrachtig
 door mij aangepakt: ‘Kiss and 

ride’. Dit is voor ontheemden 

geen goede plaats onder de 

zon. Wegwezen dus, niet 

wenen, terug naar het land 

Mykene, waar alles ooit 

begon.

 

 

 

 

Eindigheid

 

Voor wie eindigheid 

te eindig is, wie hoopt op 

meer dan op vergankelijkheid, 

die zal zich tot goden wenden, 

die schijnbaar heersen over 

eeuwigheid. Nooit heeft iemand 

zich beklaagd over onvervulde 

dromen, uit het hiernamaals 

is nog niemand teruggekomen. 

 

Het is, menen we, het geld 

wel waard geweest, de armoe 

door ascetisch leven, de offers 

aan de priesters en profeten, 

en het verraad aan alles wat 

we eigenlijk beter weten. 

 

Terwijl we devoot het loflied 

zingen op dat wat niet bestaat, 

blijven wij vaak ziende blind 

voor de goddelijken die ons 

dagelijks omringen, voor dat 

waar het uiteindelijk om gaat. 

 

 

 

 

Requiem

 

Het was een god

die de eerste mensen

uit zijn paradijs verdreef,

omdat ze nieuwsgierig

waren geworden naar 

elkaar en de natuur 

die hen omringde.

 

Het was een god

die op grond van

dubieuze overwegingen

een vunzig vat schonk 

aan Pandora, daarmee 

de mensen leed en lijden 

bracht, dat niet nodig 

was geweest.

 

Het was een god 

die de aarde overspoelde,

met een verwoestende 

zondvloed waarin ieder is 

verdronken, op twee na 

en een bootjevol met dieren, 

uit onbarmhartigheid,

jaloersheid, of gewoon 

onaardigheid.

 

Doodzonden begaan ze,

die goden in hun 

godvergeten

wereld.

 

 

 

 

Penaten

 

Het is genoeg 

geweest, ik zoek 

mijn penaten op.

Er is geen nu en 

dan, hooguit een 

handvol verlangen, 

weemoed, nostalgie, 

en meer van dat 

soort sentimentele

dingen.

 

Uitgenodigd heb ik 

niemand, maar allen 

komen ze voorbij, we 

wisselen vluchtige 

gedachten.

 

 

Kunstenaarsgedichten

Dertig gedichten over kunstenaars die leefden en werkten vanaf 1900 tot heden. Het is een persoonlijke selectie. Bij elke kunstenaar schreef ik een gedicht en maakte een portrtettekening.

Deze gedichten zijn gebundeld en in 2024 uitgegeven bij uitgeverij Blurb.de onder de titel "Dichter bij kunstenaars"

De door mij geschilderde en getekende portretten staan op deze website onder "Painting (d) Portraits

 

Georges Braque 

 

Om je heen 

 

Je hebt, mijn lief, 

veel om je heen: 

gedachten vliegen 

in en uit, woorden 

ook. Je bewaart 

wat je vindt, als 

herinnering, of 

als een bruikbaar 

voorteken. Zoveel 

heb je om je heen, 

van alle kanten, als 

in een stilleven van 

Braque. 

 

 

 

 

Max Beckmann 

Drieluik 

 

Vertrek 

Weggaan om ergens aan 

te komen, uit onbehagen 

of verlangen, ook tegen 

wil en dank. 

 

Transitie 

Niet meer hier, nog niet daar. 

Tussenruimtes: hotels, schepen, 

treinen, auto‘s, stations, zoekend 

naar Sirenen om ze te kunnen 

weerstaan, onderwijl: motieven 

op ansichtkaarten verzamelend. 

 

Aankomst 

Rusteloze Odysseus, vervreemde 

passagier van de moderniteit, 

is aankomst jouw doel, of leg je 

aan om een nieuw vertrek voor 

te bereiden? 

 

 

 

 

George Hendrik Breitner 

 

Japonisme 

 

Breitner, fotograaf 

en schilder, kocht 

een kamerscherm, 

en drie kimono’s met 

elk een andere kleur: 

rood – wit – blauw. 

Zo Hollands als die 

kleuren, is ook zijn 

kimonomeisje: 

Geesje Kwak, loom 

liggend op een met 

oriëntaalse tapijten 

bedekte sofa. 

 

Dertien schilderijen: 

op de kimono’s en 

het kamerscherm 

vliegen de vogels af 

en aan, en er staan 

bloemen op die je 

graag zou willen 

plukken, voor een 

vaas, of een geliefde. 

 

 

 


Paul Cezanne 

 

Veelbetekenend 

 

Montagne Sainte Victoire, 

zo vaak geschilderd, buiten, 

of aan de hand van een 

eerder doek, zoals bij mevrouw 

Cezanne in een rode jurk, naar 

een schilderij van mevrouw 

Cezanne in een rode jurk. 

Impressies van impressies. 

Cezanne schildert soms naar 

foto’s, zoals later Beckmann 

en Breitner doen, of gewoon 

er overheen, als Richter, 

bijvoorbeeld. 

 

Een beeld is een ding in de 

wereld. Aanraakbaar is het, 

als het geen gedachte is. 

Picasso kocht de Montagne, 

nee, niet het schilderij, maar 

de berg. Dichter bij de schilder, 

nog dichterbij, gaat haast niet. 

 

Schilders, merkwaardige wezens 

zijn het, hun onderwerpen nog 

vreemder vaak. Cezanne schildert 

de poot van een lam, een afgehakte 

poot dus, en een gestoord gezelschap 

bij een picknick op het gras, een 

moordenaar in actie, doodshoofden, 

naast leuke landschappen en fraaie 

portretten. Wel een rare jongen, die 

Cezanne, iconografisch in elk geval, 

door het leven getekend natuurlijk, 

dat ook, voor alles evenwel: 

veelbetekenend. 

 

 

 

 

Laura Eckert 

 

Non-Finito 

 

Lagen hout van oude 

balken, planken, op en 

naast elkaar gelegd, 

gelijmd, gespijkerd, 

anderszins verbonden, 

gevonden grondstof 

voor verbeelde koppen. 

Ze groeien, of trekken 

zich terug, willekeurig 

naar het schijnt, maar 

zo is het niet. Het is 

overwogen toevoegen, 

of bewust weglaten, 

verbeelding houwen 

uit resten. Het is nieuwe 

werkelijkheid, nog niet af, 

naar het schijnt, maar zo 

is het niet. Wat niet is, 

is zeer aanwezig. 

 

 

 

 

James Ensor 


Bloemenhoed 

 

Schilder met je bloemenhoed, 

maskers maak je en skeletten, 

doodshoofden met grimassen. 

Veel stillevens, vaak ook drukte- 

makers, bloemen in een vaas 

en op je hoed. 

 

Christus uit de tijd gevallen, 

haalde jij naar Brussel, voor 

karneval en een processie, 

op die ezel zat je zelf, als 

hoeder van de dieren, als 

schilder zonder bloemenhoed. 

 

Opgegroeid tussen schelpen 

en waaiers, rozen, papegaaien, 

een pissende aap, chinoiserie 

en een verkleedzuchtige oma, 

bijna buiten de wereld, maar 

nooit verder weg dan het 

Vlaamse Oostende, waar je 

kitsch verkocht en de satire 

cultiveerde in woord en in 

daad. Jij, schilder met je 

bloemenhoed: niets komt 

vanzelf. 

 

 

 

Leo Gestel 


Vormverschuivingen 

 

Het stilleven roert 

zich, binnen en buiten 

de randen, een vlucht 

kleuren: rozen of vis. 

Oogstrelend uitdagend, 

net als landschappen, 

waar kleur duelleert met 

beweging, waar vormen 

verschuiven, ieder nieuw 

ogenblik, Orpheus dienend, 

of tartend. 

 

 

 

 

Alberto Giacometti 

 

Wat overblijft 

 

Een urenlang 

bewegingsloos 

model ontvliedt 

de vertwijfelde 

beeldhouwer 

keer op keer. 

Vandaar wellicht 

die zware voeten: 

Blijf hier! 

 

Gebleven zijn er 

enigen: een vrouw 

op een wagen, of 

bronzen platen met 

koppen en gestrekte 

figuren. Op zware 

sokkels staan kleine 

hoofden, het lijken 

draagbare altaren 

voor gekoesterde 

huisgoden, penaten. 

 

Tussen zijn en niets 

is wat er rest na 

lange strijd. 

 

 

 

Erich Hartmann 

 

Grenzeloos 

 

Hoe iets er uitziet: 

meer opvatting dan 

waarneming, beleving 

vooral. Landschappen, 

figuren, stillevens, als 

decorstukken: vlakken 

liggend tegen vlakken, 

vooral geen effecten. 

 

Gebroken ruimte als 

speelveld - de schilder: 

ruimhartig. Verbeelding 

gaat het kader voorbij. 

 

Plots en onverwacht, 

kan er zomaar iemand 

binnenlopen, of gewoon 

voorbij gaan. 

 

 

 

 

Rebecca Horn 

 

Kinetische totems 

 

Eigenzinnige machines: 

krassen – aaien – schieten – 

slaan – zagen – snijden – 

dromen – dansen, 

nerveus, breekbaar, 

in een genadeloos ritme. 

 

Concert voor anarchie, 

het zuchten van de stad, 

het roepen van pauwen: 

angst – vertwijfeling – 

tederheid – begeren – 

bizarre vervreemding. 

 

Kinetische totems, in 

veren gevangen, zo 

kwetsbaar als het ei 

van een struisvogel, 

door bliksem bedreigd, 

en vreemd als een 

eenhoorn. 

 

 

 

Horst Janssen 

 

Portretten 

als landschappen 

 

Verslingerd aan 

knotwilg en weide, 

Eiderland en wad, 

moerasland langs 

de Elbe, de lage 

en de hoge luchten, 

vergezichten. 

 

Landschappen als 

portretten, portretten 

als landschappen, 

kadasters van verbeelding, 

om in te dwalen en te 

vergeten. 

 

Ongenaakbare 

tekenaar met trillende 

handen, zuur etst ogen 

en longen. Ik ken je niet, 

ik heb je nooit gezien. 

Ik ken je goed, ik heb 

zoveel van je gezien. 

 

 

 

 

Paul Klee 

 

Slecht geschilderd 

 

Een goudvis met zeven 

visjes er omheen, van 

Paul Klee, zag ik voor 

het eerst in het Haags 

Gemeente Museum, 

dat heet nu anders. 

Ik was nog jong. Slecht 

geschilderd, dacht ik, 

zo anders als op het 

fotootje in mijn boek 

over kunst. 

 

Veel later zag ik het 

opnieuw, in Hamburg. 

Zo mooi gedaan, dacht 

ik, in vorm en kleur. 

 

Misschien was ik bij het 

eerste zien te vroeg nog 

bij mijn jeugd, verwachtings- 

vol naar veronderstelde, 

maar onbereikbare kwaliteit 

van kunstenaarschap, en was 

ik later van die jeugd wellicht 

te ver verwijderd, jaloers op 

Klee, die er wat van bewaarde. 

 

 

 

 

Oskar Kokoschka 

 

Indringend 

 

Reeksen zelfportretten, 

geschilderde observaties, 

indringende, systematische 

bevragingen van het eigen 

gelaat, herinneringen ook: 

de anamnese van een 

kunstenaarsbestaan. 

 

Door zijn trekken aan te 

schouwen in werken die hij 

achterliet, leer ik misschien 

zijn streven kennen, om dat 

te schilderen wat men bij een 

eerste blik niet ziet. 


 

 

 

Wilhelm Lehmbruck  

 

Licht streelt vorm 

 

Vrouwen vaak: 

geheel; als tors; 

portret; of buste. 

Lange hals, hoofd 

beetje schuin, 

langgerekt.  

 

Houdingen: 

badend, staand, 

knielend, zittend, 

hurkend, denkend, 

treurend, vallend, 

schrijdend. 

 

Verbeelding: 

licht streelt vorm, 

en omgekeerd. 

 

 

 

 

Marino Marini 

 

Ruiterstandbeelden 

 

Aanmatigend om op de rug 

van een paard te willen zitten. 

Trots dier met fragiele benen. 

De sierlijke lijn wordt verstoord 

door de contravorm van een 

ruiter, gewichtleggend op de 

brug, de meest ongeëigende 

plek. 

 

Ik houd erg van het werk 

van Marino Marini, vooral van 

zijn ruiters. Even onbedoeld 

als onmiskenbaar laat hij zien 

hoe misplaatst een mens op 

een paardenrug zit. Bij het 

lompe af. Lang gaat het ook 

niet goed. Zijn laatste paarden 

werpen de ruiters af, tenminste, 

ze doen er hun best voor. 

Het mag een „Miracolo“ heten 

dat die ruiters zich nog zo lang 

kunnen vastklampen aan het 

tegenstrevend paard. 

 

 

 

 

Henri Matisse 

 

Dansen met Matisse 

 

Matisse was een keurige schilder, 

maar het kostte wel moeite om 

hem te begrijpen: „Bij de wilde 

beesten af!“, vond men, “Een 

knoeipot en een charlatan!” 

 

Matisse danst met de kleuren, 

een rondedans, een Farandole, 

dansers zoeken elkaars handen, 

de vaart slingert hen bijna buiten 

de randen van het doek, het oogt 

sacraal, soms ook frivool. 

 

Een sombere schilder staart uren 

naar „Het rode atelier“, er is geen 

perspectief, wel heel veel ruimte. 

Dan schildert hij op een geel veld 

een kleiner geel veld, een oranje 

streep en een blauw veld op groen. 

Alles beeft en trilt: Rothko danst 

met Matisse. Hij noemt het een 

hommage en dat is het ook. 

 

 

 

 

Paula Modersohn-Becker 

 

Onbegonnen 

 

Worpswede – Parijs, 

vice – versa, steeds 

markanter wordende 

portretten, maskers 

bijna, met een ruwe, 

poreuze huid, krassen 

in de verf, krassen op 

je ziel. 

 

Om de verwachting van 

een kind terug naar 

waar je niet meer thuis 

was, om daar dan dood 

te gaan. Met jou sterft de 

belofte van nog zoveel 

onbegonnen werk, de 

hoop ook op waardering 

voor alles wat je heilig is, 

krassen op je ziel. 

 

Als er na de dood nog 

leven is, dan is het in wat 

je achterliet: opgedoekt, 

de tijd vooruit, inmiddels 

fel begeerd. 

 

 

 

 

Amedeo Modigliani 

 

Voor de eeuwigheid 

 

Laatste bohemien, 

maar tegen wil en 

dank, je passie hield 

je op de been, slechts 

in het in steen gehouwen 

werk vond je behagen, 

tot het lichaam dat kruis 

niet meer kon dragen. 

 

Portretten dus, in plaats 

van Kariatiden, de tempel 

die jij voor je beelden wilde 

bouwen, heb je uiteindelijk 

gebouwd, op doeken, maar 

met zo’n talent, dat iedereen 

jou en je werk bewondert, 

het tot in eeuwigheid herkent. 


 

 

  

Giorgio Morandi 

 

Stilleven 

 

Vazen, potjes, 

flessen, glazen, 

kannen, kruiken, 

stoffig, kwetsbaar, 

naast en door elkaar, 

zoekend naar stil licht, 

leven, wankel evenwicht, 

afgeschermd, aangevallen, 

gereduceerd, opgewaardeerd, 

wat blijft: een onrustige stilte, 

breekbaar, aanraakbaar, 

schijnbare eenvoud: 

vervreemding. 

 

 

 

 

Gabriele Münter 

 

Ontrafelen 

 

Steeds die terugkeer 

naar portretten, van 

jezelf, van anderen, 

alleen, of in een groep. 

 

Een haast sacrale daad, 

de ontrafeling van een 

gezicht, tot op het bot 

van zijn karakter. 

 

Zoveel moet je kunnen 

zien, nog zoveel meer 

moet je begrijpen, om een 

beeld te scheppen uit wat 

je van dichtbij voor ogen 

staat, maar dat ook zoveel 

verder is, dan je werkelijk 

voor mogelijk houdt. 

 

 

 

 

Charlotte van Pallandt 

 

Koppen: notities 

 

Onderzoek, van binnen uit, 

constructie, staaf op een 

houten blok, gipsen plaatjes 

voor contouren, beeld op 

zich, dan plakken, repen, 

klonten klei, was, gips: 

buitengelaat. 

 

Notitie (Van P.): Ik wil 

met zo min mogelijk middelen 

zo veel mogelijk uitdrukken. 

 

Essentie van de vorm, 

Termote’s kop een bol, 

met haakneus, dat weer wel, 

en wakkere ogen. 

 

Notitie (Van P.): Telkens 

controleren of ik door het 

afwerken niet ‘t geheel bederf. 

 

Carasso’s kop niet af, maar 

zo gelaten toen hij stierf. 

Onsterfelijk beeld, alleen  

zo‘n kop rechtvaardigt heel 

een beeldhouwersbestaan. 

 

Notitie (Van P.): Controleren 

of oren precies op zijn plaats 

zijn. 

 

Plaats: een relatief begrip. 

In Van Pallandt’s koppen zit 

niets op zijn, maar alles op 

haar plaats. 

 

 

 

 

Pablo Picasso 

 

Waarom niet? 

 

In al die jaren nooit 

zo oud geweest als je 

geworden bent, steeds 

vragend, niet naar het 

verklarende waarom, 

maar naar wat uitdaagt: 

waarom niet? 

 

Geen zoeken, vinden is 

het, vaak per ongeluk. 

Nooit is iets af, wat af is 

heeft zijn toekomst 

verloren. 

 

 

 

 

Gerhard Richter

 

Mirakel 

 

 

Abstracten 

door toeval 

gestuurd; 

verf druipend, 

richting door 

zwaarte bepaald 

- lijkt het – want 

het is anders. 

 

De rakel, 

miraculeuze 

toverstaf, trekt 

sporen:  links - 

rechts – boven - 

onder - dwars. 

Rite van 

de schilder. 

 

Terug gaat 

niet, wel: 

opnieuw - 

ontsporend - 

herhalend – 

toeval 

terechtwijzend. 


 

 

 

Jan Roeland 


Hoog genoeg 

 

Roeland maakt 

de wereld plat, 

met verf, rollertjes 

en penselen, Nou 

ja, de wereld, dat 

is wellicht wat veel 

gezegd. Het gaat 

om een envelop, 

al plat op zich, een 

doos, een tafel, of 

een snavel. 

 

Roeland maakt de 

wereld plat. Niet wild 

of woest, uit wrevel 

of boosaardigheid. 

Welnee, met veel 

geduld, en heel veel 

lagen verf, vormen 

secuur afgeplakt 

voor rechte randen 

bij een hamer, een 

boeket, een eend of 

ooievaar, bij allegaar, 

plat is voor Roeland 

hoog genoeg. 

 

 

 


Medardo Rosso 

 

Ecce homo 

 

Was, geel als 

honing, amber, 

zwarte sporen, 

licht heeft vrij 

spel en buit 

dat gretig uit. 

 

Vingers vormen 

terughoudend - 

wat je wilt zien, 

zie je niet, zonder 

verbeelding. 

 

Zo moet ook 

god hebben 

gebeeldhouwd, 

of Prometheus, 

toen ze nog niet 

zo zeker waren, 

hoe de eerste 

mens eruit zou 

kunnen zien. 

 

 

 

 

Mark Rothko

Velden 

 

Rothko: licht in 

verf, vertaalde 

mythen, verheven, 

ook verheffend, 

transformerend 

en onthechtend, 

leviterend soms. 

 

Ik meen Rothko’s 

gezien te hebben, 

voor ik ze zag, 

ik meen, trillende 

velden, gestapelde 

kleuren, uit het raam 

van een snelle trein 

bijvoorbeeld, ogen 

half gesloten, of in 

een flits, vlak voor 

het ontwaken, een 

merkwaardig licht, 

zinderend. 

 

Ik meen 

als het vriest in mij, 

de kleuren worden 

koeler, afstandelijk. 

Ik meen Rothko’s 

gezien te hebben, 

voor ik ze zag. 

 

 

 

 

Egon Schiele 

 

Terugkijkend 

 

Zo betekenend 

het niet-getekende, 

zo trefzeker 

het terughoudende, 

godvergetende 

paradijselijke 

verzoekingen. 

 

Wat ik zie, 

kijkt terug, 

onverholen. 

 

 

 

 

Eja Siepman van den Berg 

 

Zichzelf genoeg 

 

Torso: 

meestal staand 

meisje, geen hoofd, 

aanzet van armen, 

schouders eigenlijk, 

benen, afgesneden 

tot op de dijen. 

 

Hoe licht steen zijn 

kan, glanzend gips, 

brons, op weg naar 

onaantastbaarheid, 

 

Af is: de tors 

verwijderd van de 

maakster, als niets 

meer toe te voegen 

valt, of weg te laten: 

zichzelf genoeg. 

 

Gestileerde 

Kore, Grieken 

nooit ver weg, 

tegelijk - tijd 

wijd vooruit - 

essentie 

verbeeldend. 

 

 

 

 

Jan Sluijters

Lumineus 

 

Neerslag 

van voorbijgaand 

leven: kleurrijk 

landschap; bont 

stilleven; groen- 

ogige vrouwen, 

alles wervelt en 

danst. 

 

Zoeken naar 

het allerhoogste, 

terug steeds naar 

een nieuw begin. 

Niets uitsluitend, 

lichtzinnig aan het 

zichtbare voorbij: 

anamorfose. 

 

 

 

 

Charley Toorop 

 

Charley 

 

Ogen wijd open, 

de blik een signaal, 

is wat je ziet, alles 

wat is, of alleen wat 

zich openbaart? 

 

Onvermijdelijke 

ogenblikken, als 

Fajoemportretten, 

indringend, goden 

verzoekend: vergeet 

mij niet. 

 

Ik ben Charley, 

geboren in Katwijk, 

gestorven in Bergen, 

daartussen: schilderen, 

met de ogen wijd open. 

 

 

 

Eindejaarsgedichten





Sneeuw van gisteren

December is het,
bijna weer een jaar voorbij.
Het uitzicht nevelig, vertekend.
In de rook van een schoorsteen
dansen twee bleke engelen
een „Valse de l’Adieu“.

De vogels waren al vertrokken.
Herinneringen zijn nog daar,
fragmenten van voorbije dingen,
op en naast elkaar gelegd.

Gekoesterde en vermaledijde
herinneringen, voor even vastgelegd
met tekens van gedachte of
gedroomde taal, woordloos,
als geschilderde sporen.

Nog een keer omkijken om
in staat te zijn vooruit te zien,
zonder nu al echt te willen weten
dat morgen – overmorgen –
alweer sneeuw van gisteren is.




En uit het oosten

En uit het oosten
komt het licht,
de rode daken
worden flets beschenen,
plaveisel wordt iets
minder hard.

Couleur locale,
een grijze lucht.
Zou het nog
sneeuwen gaan
vandaag?
Nee, uit het oosten
komt het licht.




Winter in Twente

Het winters land is vlekkerig
van schaduwen en schijn.
De maan houdt nevelig nog
flarden vleugels vast van
transparante broze feeën,
verstrikt geraakt in lage struiken
en in kale bomen. Een enkele
ster staat stil boven het lager
en het hoger land, de houtwallen
en de onregelmatigheid van
verglaasde akkers op de
Twentse Es.

Aan boerenhuizen wijzen
vergrijsde geveltekens aan
einden van windveren naar
het oude en het jonge jaar.
Net als de koperen kruizen
op spitsen van kerktorens
reiken ze als antennes naar
de boven- en tussenwereld
van dit etherisch sagenland,
verlangend naar onmiskenbare
signalen uit het onverstaanbare.



 
Zo oud, zo nieuw
 
Het is weer najaar en
de hoge luchten zijn ernstig.
Ook al speelt het ingetogen
daglicht een traag, maar toch
vertederend spel van schaduw
en bleke accenten.
 
De bevroren schermen
van verweerde Hortensia’s
zijn vaalgeel, breekbaar bruin,
of een toevallig samengaan
van gevoelige witten en
groezelige grijzen.
 
Aarde, lichtbepoederd
met verse sneeuw, waarin
met vogelsporen een oertaal
van vreemde tekens
neergeschreven is.
 
In de wintertuin is er
geen verschil tussen
vandaag en morgen.
Alles is zo oud, zo nieuw:
in de kale staketsels
van struiken en bomen
de belofte van knoppen,
stevig verpakt nog,
maar onmiskenbaar
aanwezig.
 
 
 
 
Jaar uit, jaar in
 
En op de drempel
staan we even stil,
aarzelend, herinneringen
wegend, teder licht en
droevig zwaar: kostbare
stof, waaruit we toekomst
maken.
 
Maar niet te lang verwijld,
anders zijn je dromen wellicht
al niet meer in te halen.
 
 
 
 
Ogenblik
 
Het oude jaar gaat statig uit
in de bedaagde binnenstad.
Alweer? Het lijkt toch nog
zo kort terug, dat we hier
liepen op een winteravond
en in het rimpelende water
de grachtenhuizen liggen zagen,
de kale bomen, zo af en toe
een opgestoken straatlantaarn.
Vertekende spiegeling met lichte
accenten, door schaarse schijn uit
vensters en een verglaasde maan.
 
Hier waren we jong en roekeloos
en hebben we de tijd verspeeld,
die ons nu elders veel te snel,
onhoudbaar door de vingers glijdt.
 
 
 
 
Gloedvol tegenlicht
 
"Amersfoort"
 
December is het opnieuw
en alweer de laatste dag
van deze waterkoude maand,
met bedeesde, terughoudende
ijle kleuren.
 
Een zweem van glazig blauw,
een veeg van duivengrauw,
verwelkte witten, verwaaide
zwarten, tegen de vroege
avondlucht, en als het
– vorstelijke vergissing –
dit keer ook niet sneeuwt
maar pijpenstelen regent,
dan zie je in het schijnsel van
ouderwetse straatlantaarns
een oplichtend plaveisel van
kletsnat klatergoud.
 
Zoveel hoeft daar niet gezegd,
maar ongezegd betekent niet
dat het ook vanzelfsprekend is.
Beloken binnenstad, tussen jouw
muren beleven wij de mooiste
schemeruren. Morgen in de vroegte
is alles schijnbaar nog hetzelfde,
toch onmiskenbaar tegelijk, in een
ander gloedvol tegenlicht.
 
 
 
 
Decemberlied
 
De behoedzaamheid
van sneeuw, het valt,
maar niet vanzelfsprekend,
eerder besluiteloos, of
terughoudend, als witte
vlokkige deeltjesvertragers
voor een nieuw stilleven,
fragiel en van beperkte tijd.
 
Het uitzicht is wazig,
het inzicht nog open,
in de veelheid van
antwoorden zijn er
vragen verloren
geraakt.
 
Opnieuw is het december,
binnen zingen breekbare
bontglazen vogels onhoorbaar
uitbundig een nostalgisch
lied - voor wie het horen wil
of kan - over verwondering,
verbinding, verlangen.
 
Buiten warrelt sneeuw op,
trage vleugelslagen. Een duif
wellicht, een kauw, of kraai?
Wat kan het anders zijn in
deze late maand? Hoewel:
aan lage struiken hangen
pas gesponnen nevelflarden
van maanwit engelenhaar en
uit de wangen van de wind
blaast zacht maar onmisken-
baar diezelfde melodie van
dat oude decemberlied.
 

 
 
Palimpsest
 
Het jaar bijna
volgeschreven,
oud perkament,
dat erop wacht
om afgekrabd
te worden voor
een nieuw begin,
op resten van
inkt, krassen,
een enkele scheur,
als op ijs,
geschraapt onder
slijpende voeten
van schaatsers,
willekeurige
tekens schrijvend
in een nog niet
begrepen taal,
of als op foto's
in de gelaagdheid
van dubbel licht,
waar herinnering
zich mengt met
vooruitzicht en
waar dat wat er
was, de weg
bereidt voor wat
nog worden moet,
maar anders.
 
 
 
 
Perspectief
 
Decemberland, verpakt
in nevelflarden, een glimp
namiddaglicht, duivengrijs
gekleurd, veel diepte ook,
zoals een schilder dat zou
doen, met atmosferisch
perspectief, coulissen, of
verdwijnpunten voor
imaginaire lijnen, alles kleiner
makend op weg naar een
onzekere horizon.
 
Er vliegt een raaf voorbij,
boodschapper van verloren
goden: hun tekens worden
niet meer gehoord, laat staan
begrepen. In het verschiet
is veel om vast te willen
houden, maar ook om los
te moeten laten, afwegend,
zoals een fotograaf dat zou
doen, zoekend naar licht op
fragiele fragmenten. Morgen
is er een nieuwe dag, met
verse sneeuw wellicht.
Vroege vogels zullen
die als eerste beschrijven,
of jij en ik.
 
 
 
 
Toverwoorden
 
We wensen je
een nieuwe taal
voor een nog komend
jaar, voor wat niet
eerder werd gezegd,
of ongehoord gebleven
is, voor wie nog wikt en
weegt over die woorden
waarmee je zinvol kunt
verbinden, wat niet
overbrugbaar lijkt.
 
Een nieuwe taal,
met woorden die je zelf
bedenkt, in tekens die er
nog niet eerder waren,
maar die voor ieder die ze
hoort of ziet, onmiddellijk
begrijpbaar zijn.
 
Een taal met woorden die
je proeven kunt, die ziltig
zijn of zoet, gesponnen,
zacht gezongen, niet eerder
uitgevonden, of die nog
nooit tevoren, zo mooi en
helder uitgesproken zijn.
 
 
Nieuwe woorden voor een
teruggevonden oud geluk,
voor wat je ooit eens weg
deed, onbezonnen, en dan
zo node hebt gemist. Een
taal met veel verbindings-
tekens, met toverwoorden
ook, zoals: verwondering,
verbeelding, of bemoediging.
En dat je daarmee zacht,
of hardop spreken kunt,
met wie je lief is, of dat
ooit eens worden zal
misschien.
 
 
 
 
Non finito

Het is al donker
voor de avond valt,
de stad hult zich in
grijs gewaad, velden
verglaasd, en wazig
is het winterwoud.
Hier en daar wellicht
een paar accenten,
een vogel tegen hoge
lucht. Geen lied is er
te horen, niets zingt
vanzelf.

Er is veel dat je
liever vergeet, maar
ook dat wat je nooit
meer kwijt wilt raken,
zoals verdrongen,
of juist dierbaar
gekoesterde
herinneringen.
Ze volgen je en
veranderen ook
op den duur.
Wat af is heeft
zijn toekomst
verloren.




Behoedzaam 2024
 
De boom is ouder dan
wij zullen zijn, kent tijd
en mensen die wij nimmer
zagen, windstiltes, regen,
donderslagen, vogelnesten
zonnestralen, losgeslagen
vliegers, en gekerfde namen.
 
Het blad is jonger dan wij
zijn, maar in de herfst al
zo doorleefd, dat het traag
dansend afscheid heeft
genomen en niet meer
weten zal wat nog gaat
komen, zoals: de geur
van gras na regen, een
spelend kind, een gitarist
misschien, of jij en ik.
 
Nu, hier in het winterbos,
is alles stil, nou ja bijna,
er vliegt een kraai voorbij
met trage vleugelslag.
Ooit waren kraaien wit
en boodschappers van
goden, tot een van hen
de boodschap niet beviel,
hij heeft ze zwart gemaakt.
 
Onsterfelijke goden zijn
inmiddels uitgestorven,
het landschap verschiet
op eigen kracht van kleur:
loodwit in het middaglicht,
rood soms op een vroege
avond. En morgenochtend?
Wit wellicht.
 
Behoedzaam gaan we door
de sneeuw, waar we een
pad vermoeden, oppassend
dat we niets verstoren, wat
nog zo pril en breekbaar is,
in knoppen nog en ongeboren.
 
 
 
 
Gelukkig 2025
 
Kleine dingen zijn
mij lief: huismussen,
buiten tsjilpend in
december, of bosrank
met een donzig
winterkleed. De kleine
dingen zijn mij lief:
een nieuw boek, nog
ongelezen, maar zo
veelbelovend als een
zonnestraal, op een
nauwelijks ontwaakte
dag.
 
Kleine dingen zijn
mij lief, ze lijken heel
normaal, ze dringen
zich niet op met prots
en praal. Ik koester dat,
wat zich niet steeds
bewijzen moet. Kleine
dingen zijn mij lief.
 
Grootschaligheid,
nastrevenswaardig is
het niet, want er gaat
veel door stuk. Kleine
dingen zijn mij lief, maar
in een tijd als deze, hoop
ik toch steeds vaker op
globalisering van geluk.
 
 
 
 
Tussentijd (2025 - 2026)
 
Het jaar nadert zijn afscheid, 
daarmee wat we gekoesterd 
hebben, en wat we verdragen 
moesten. Nog onbeantwoord 
vele vragen, lief en leed wordt 
meegedragen, als onvoltooid 
verleden tijd, tot een nieuw 
perspectief bereid. 
 
Vroeger dacht ik vaak aan later, 
nu later denk ik veel aan toen: 
wat ik het liefste wil vergeten, 
of graag nog eens zou overdoen. 
Winters die ik mij herinner, je ziet 
ze zelden meer, vensters die 
nog bloemen dragen, sneeuw 
van gisteren: voorbije dagen. 
 
Elk jaar dat wordt geboren, 
gaat tenslotte ook verloren, 
maar is daardoor niet zonder 
zin. Het gaat bij jaren als bij 
mensen: niet slechts het einde 
telt, of het beloftenvol begin. 
Uiteindelijk gaat het toch 
vooral, om die bewogen tijd - 
er tussen in. 
 
 
 

Wat na is maar zover

Dertig geannoteerde sonnetten


Een reeks van dertig sonnetten. Hoewel het om opzichzelfstaande gedichten gaat zijn er wel verbindende thema's. De gedichten gaan over herinnering, verwondering, twijfel, eindigheid, transformatie en over andere tijden. De titel van de bundel komt van een van de gedichten waarin het gaat om de spanning tussen wat heel dichtbij is maar toch zeer ver weg kan zijn. Refererend aan een ander sonnet is de reeks ook een soort drijfschaal. Overwegingen, gedachten, gevoelens, geknakt, nog pril en fris, of in de knop gebroken, komen in een ensemble tesamen.

 

Ik heb in deze bundel gekozen voor de vorm van het sonnet. Het sonnet is een veertienregelig metrisch gedicht. Het bestaat uit twee kwatrijnen, samen het octaaf, en twee terzetten, samen een sextet. Na het octaaf volgt meestal een inhoudelijke wending, maar niet altijd. Het rijmschema van het octaaf is vaak omarmend. Bij mijn sonnetten wordt er met deze regels soms speels omgegaan. De dichtvorm voert, naast de aantrekkelijkheid van de gebonden structuur, ook tot beperking. Na veertien regels is het voorbij en ook het rijmschema legt de dichter aan banden. In een poging om daar enigermate aan te kunnen ontsnappen heb ik mij een "vluchtroute" of "zijwegen" toegestaan. Bij elk sonnet voeg ik een korte toelichting toe. De bedoeling is dat de toegevoegde aanvullende informatie de intentie van het gedicht voor de lezer verduidelijkt. Ik spreek in dit verband van geannoteerde sonnetten.

Voornaamwoord

 

Als het stille water in de grachten,

dat stijgt voor een gesloten sluis,

stijgt op in mijn gedachten,

een woord, te klein voor deze kluis.

 

Het groeit en dan, 't was te verwachten,

ontsnapt dat woord met veel gebruis,

streelt mijn lippen, droog van smachten,

en danst, verheugd over het nieuwe huis.

 

Ik hoor het zingen in alle dingen:

de torenklok, het lachen van een kind.

En alles klinkt van nu af aan voornaam.

 

Vijf letters, mooi en vol herinneringen,

dat woord waar alles mee begint,

Beate, wat in mij leeft, leeft in jouw naam.

 

 

 

 

Geknakte bloemen

 

De markt aan het einde van de dag,

bloemenresten liggen op grote hopen,

geknakte stengels, niet meer om te kopen,

verloren schoonheid, ja, een hard gelag.

 

Anemonen, violen, rozen, naar de knoppen,

een bij elkaar geveegde en ontheemde horde,

wachtend om straks afgevoerd te worden

door een bezemploeg, niet meer te stoppen. 

 

Bloemen, iedere dag een nieuw verhaal,

maar met elke dag mindert ook levenskracht.

Bloeien is: steeds een stapje dichter bij de dood.

 

Ik verzamel verloren resten voor een drijfschaal,

een bonte mengelmoes van gewonde pracht,

voor een gerekt bestaan, uit het voorgeborchte 

van de goot.

 


 

Melancholisch

 

Alles ligt nog in het verschiet,

lang heb ik er naar uitgekeken,

een nieuw en onontdekt gebied

dat al het andere doet verbleken.

 

Dat wat er nog komen gaat,

lijkt vaak zoveel begeerlijker,

dan wat je achteloos achterlaat,

het onbekende: heerlijker.

 

Wat dan uiteindelijk is gekomen,

waar toch al zolang op gewacht is,

bleke herinnering, nu alweer voorbij.

 

Er dwalen nog sporen in mijn dromen,

ze markeren wat ik wens en zo zeer mis,

weemoedigheid ontwaakt in mij.

 

 

 

Elegie

 

Nooit was de oude zo dicht in de buurt

van het oord dat hij moet gaan betreden,

dat zich nog niet ontsluit aan hem, die tuurt

en ronddwaalt in geleefd verleden.

 

Hoeveel verloren woorden heeft hij nodig

voor het zingen over verlangen en gemis,

alles schijnt zinloos, veel lijkt overbodig.

Wat blijft van wat er nu nog is?

 

Porrend in as van een dovend vuur,

hopend op wat laatste vonken,

zoekt hij naar licht in dit zo duister uur.

 

Niets wordt hem meer geschonken,

hij ruilt datgene wat hij achterlaat,

voor iets dat waarschijnlijk niet bestaat.

 

 

 

Karig

 

Meer ongeordende gedachten 

dan betekenisgeladen zin, 

geen overvloed is te verwachten,

tussen einde en begin.

 

Niet wentelend in weemoed,

noch onbesuisde praal,

geen diepgravend gevroet,

de woorden eerder schraal.

 

Wellicht iets te ascetisch,

maar met een glimlicht hier en daar,

wordt het zo toch nog wat esthetisch.

 

Zoals het leven is van velen:

sober, zonder een groots gebaar,

maar rijk genoeg om het te delen.

 

 

 

 

Transformatie

 

Een schamel en gescharreld ontbijt,

op straat, in voegen tussen stenen,

geen klagen, of meelijwekkend wenen,

noch zichtbare afgunst of vrucht'loze nijd.

 

Vroeger trots gekleed in rijke kleren, 

bestemd voor een goddelijk bestaan,

nu gesnaveld en getooid met veren,

als schut, en ze herinneren zich eraan,

 

hoe zij, dochters van Atlas en Pleione,

die met Artemis in de bossen jaagden,

belaagd werden door Orion's hormonen.

 

De hitsige jager die het overmoedig waagde, 

zich ongevraagd met godendochters te belonen,

stootte plots op duiven in plaats van maagden.

 

 

 

Het blauwe uur

 

Daglicht wil nog geen afscheid nemen,

maar het blauwe uur wordt steeds meer nacht,

in tonen die naar het zwarte zwemen,

door een zwakke maan voor even nog verzacht.

 

Na ochtend, middag, nu het gedempte avondlicht,

een verkleedpartij, een schemerende maskerade

- in dit wispelturig uur, telkens een nieuw gezicht - 

dingen verzettend in een fluisterende parade.

 

Vragen zijn vooreerst gebleven:

waarom vanavond blauw, maar morgen niet?

Verwondering is toch het mooiste in dit leven.

 

Zo wordt de vroege avond, voor ieder die het ziet,

een geschenk dat zomaar wordt gegeven,

voor jou bestemd lag het verborgen in 't verschiet.

 

 

 


Tanden van de tijd

 

De Griekse houwers maakten mooie beelden,

van Artemis, Athena en van Aphrodite,

marmer veranderde in vleselijke weelde,

voor tempels en sacrale riten.

 

Niet alles is helaas bewaard gebleven.

Nieuwe religies, vandalen of onachtzaamheid,

kostten ze voortijdig hun kwetsbaar aardse leven,

wat bleef werd aangevreten door tanden van de tijd.

 

Er worden nog wel sculpturen teruggevonden,

vaak zonder neus, een hoofd, een arm, of been,

fragmenten slechts, de schoonheid ruw geschonden.

 

Wat zou de beeldhouwer vinden van zulke resten?

Zou hij vragen: Waar moeten al die brokken heen?

Naar het museum, of is grof vuil wellicht het beste?


 

 

 

Vragen

 

Het leven heeft hem vaak bezwaard,

niet wegens somberheid, of gebrek aan zegen,

meer door zijn permanent bezorgde aard

om vele dingen, waarover mensen zwegen.

 

Antwoorden heeft hij veel gekregen, 

maar vragen waren hem het meeste waard.

In een vraag is zoveel verwondering gelegen,

door te vragen bleef het kind in hem bewaard.

 

Hij schudde vaak een hand, en vaker nog zijn hoofd,

wat is hem in dit wispelturig leven na gebleven?

Niet veel van waar hij ooit in heeft geloofd.

 

Zekerheden waren nooit zijn heilig streven,

- waarheid: een kaars die flakkert, maar snel dooft -

nieuwsgierig blijven was het doel in zijn vergankelijk' leven.


 

 

Bedacht landschap

 

Dwalend door een bedacht landschap,

contouren volgend, stap voor stap,

dralend waar zich wegen scheiden,

voeren perspectieven ver buiten haarzelf.

 

Verzonnen territorium voor vluchtige gedachten,

streken en vlakken, verwaterde kleuren,

onbezonnen motieven, lucht, water, land, en het

breken van wolken, of tekens in het zand.

 

Wie ziet, wat zo dikwijls niemand ziet, het

schone in de schijnbaar ongewone dingen,

die niet zich leiden laat door dat wat hoort, en het

 

gewone niet als uitsluitend argument hanteert,

die ziet in bloemen bergen, zeeën in een waterdruppel,

tonen en toevalligheden, tot dan toe ongehoord.

 

 

 

 

Herfst

 

De luchten grauw, maar vaak ook zeer betoond,

gestapelde wolken, tinten grijs met blauwe vlagen,

een zwakker licht, dat nochtans het verval niet schoont,

van wat er rest, wat planten, bomen moeizaam dragen.

 

Wat zich in zomerse overdaad heeft uitgewoond,

is nu een schrale erfenis, herinnert aan voorbije dagen.

Hopelijk was het alles waard en heeft het zich geloond?

Herfst noopt door zijn afvallige aard tot zulke levensvragen.

 

Een jaargetijde van het nog eens stil te willen staan,

op oude paden, gekoesterd, vaak ook platgetreden,

in grauwe mist, doordrenkt met waterige maan.

 

Wat blijft? Een hopeloze zucht naar zekerheden.

In de herfsttuin eindigt veel door stil vergaan,

maar wat opnieuw begint ontstaat uit het geleefd verleden.

 

 

 

Van nergens naar niets

 

Reizende, voorbij de dingen gaande,

van situatie naar situatie bewegend,

vertwijfeld voor verweerde spiegels staande,

als een oude zonnekoning, dof en verregend.

 

Onderweg ogen gezien met blikken die maanden,

handen gekust die nimmer hebben gezegend,

wegen gevolgd die zich hoopvol baanden,

maar die voerden naar nergens, overwegend.

 

Berooid en onttoverd, onzeker van binnen,

het lichaam warmend aan een dovend vuur,

wat geweest is zal wel niet opnieuw beginnen.

 

De reis kent doel, noch tijd of duur,

geen ruimte voor terugblikkend bezinnen,

het niets is elders en van een andere natuur.

 



 

Twijfel

 

Als dit waar is, waarom en voor hoe lang dan?

Oh twijfel, leenman van onbezorgde zekerheid,

jij houdt mij met je aarzelingen in jouw ban,

onrust sticht je en dompers voor tevredenheid.

 

Vertwijfeld ben ik niet, bezorgd wel om verstarring

en vermeende zekerheden, bange schaduwkinderen.

Vragen ontstaan uit weifelende verwarring,

ze zijn mij innig lief, ik wil ze niet verhinderen.

 

Twijfel is geen vloek, eerder een onverwachte gave,

zoals vuur dat Prometheus van de goden stal,

waarmee hij ons van afhankelijkheid heeft bevrijd.

 

Twijfel is niet beklemmend, eerder een tussenhaven,

voor het verkennend perspectief een geluksgeval.

Het is een offer aan de vlam van de nieuwsgierigheid.

 

 

 

 

 

De anderen

 

Onbaatzuchtig zijn de Griekse goden niet,

offerbereidheid hoort niet tot hun heilig wezen,

de armzalige sterveling die dat niet ziet,

wordt onbarmhartig een harde les gelezen.

 

De goden, in hun almacht, slaan graag toe,

als je je even neervlijt en er niet mee rekent,

wanneer je zorgen hebt, ziek bent, een beetje moe.

Je wordt vervolgd, of aan een rots geketend.

 

Wanneer je geloof aan goden is gedoofd,

dan moeten het wel de anderen zijn,

die gretig nemen wat jou is beloofd.

 

De anderen maken je graag klein,

ze nemen alles waaraan je hebt geloofd,

meestal uit eigen angst, niet altijd uit venijn.

 

 

 

Wat je zo mist

 

Wat is het dat je zozeer mist,

wat is het dat je ooit is weggenomen?

Hoe vaak heb jij je in een zekerheid vergist

en zijn je dromen achteraf niet uitgekomen?

 

Ongemerkt ben je het meeste kwijtgeraakt,

ook dat wat je eigenlijk nooit echt hebt bezeten.

Veel van je herinneringen zijn achteraf gemaakt,

en veel daarvan heb je weer veel te snel vergeten.

 

Ik zoek in het kadaster van verloren zaken

naar resten van wat me eens zo scheen te raken,

wat ik vind is minder dan ik had gedacht.

 

Wat ik verloren ben of nooit gehad heb in dit leven,

wil ik terug in zijn tomeloos gedroomde pracht,

al is het maar om het gelijk weer weg te geven.

 

 

 

 

Een andere tijd

 

De woorden gingen, of kwamen zoals ze zijn gegaan,

ze vonden wel of niet hun plaats in vreemde oorden,

waar veel gepraat werd over wat er is gedaan,

wat de een beviel, maar de ander niet bekoorde.

 

Steken gebleven in zompigheid van oeverloze waan,

te verward geraakt om het eenduidig te verwoorden,

onzeker geworden en besluiteloos blijven staan, 

doofheid geveinsd voor het ongehoorde.

 

Wat ik deed heb ik vaak niet gewild,

en wat ik wilde niet altijd gedaan,

ondertussen: aan beide oevers tijd verspild.

 

We hebben u geroepen, maar nergens toe verleid.

U bent verder weg dan ooit bij ons vandaan.

U bent nog daar, maar deel al van een andere tijd.

 

 

 

Vergeten

 

Bladerend in verloren gewaande boeken,

verwijlende bij een onverwacht moment,

voor even ander leven dan het eigene bezoeken,

waarvan je kwijtraakte wat je ooit goed hebt gekend.

 

Toeval ligt verborgen in verlaten, stoffige hoeken,

op plekken die je door de jaren vergeten bent,

beschadigd geheugen laat zich soms willig verdoeken,

tot een beeld dat uiteindelijk wordt herkend. 

 

Wat ooit gekoesterd is, maar werd verloren,

neemt onverwacht opnieuw bezit van mij

en is mij nu pas echt gaan toebehoren.

 

Het kort moment is snel voorbij,

een herinnering, in ander licht opnieuw geboren,

ik sluit het boek en zet het terug in de vergeten rij.

 

 


Dwalend in okertonen

 

Loof van tevredenen houdt niet eeuwig stand,

ook wat lang gedragen is blijft vallen niet bespaard,

al was er ooit een gemeenschappelijke band,

alles wat bloeit raakt uiteindelijk verjaard.

 

Tevredenheid: een pad als labyrinth beplant,

wie het verlaat wordt als afvallig nagestaard.

In een doolhof heerst de uitgangsloze wand,

ontsnappen gaat slechts met listigheid gepaard.

 

Het liefst dwaal ik in omgevingen zonder structuur,

abstrakte landschappen: een diversiteit van okertonen,

wellicht wat blauwe dissonanten en veel openheid.

 

Ontevredenen bepalen de minimale architektuur,

vorm ontstaat door hen die er zijn gaan wonen,

onrust groeit bij ongeduldigen na verloop van tijd.

 

 


 

Wat na is maar zo ver

 

Niemand heeft zichzelf ooit in het echt gezien, 

het eigen gelaat bedoel ik, zonder intermediair: 

een spiegel, selfie, etalageruit, of zoiets 'in between'.

Het gezicht, dat zo nabij is, en tegelijkertijd zo ver. 

 

Je contouren kun je volgen, met één vinger, alle tien, 

onevenheden voelend die zich voordoen her en der. 

Beschrijven anderen hoe zij jou door hun ogen zien,

dan blijft zo'n beeld onvolledig, vaak ook precair. 

 

Het eigen ongekend gelaat dreef menig kunstenaar 

tot het zoeken naar een zelfportret in de ultieme staat.

Gelijkenis echter bleek meestal slechts benaderbaar.

 

Zovele pogingen, het doel zo dikwijls niet bereikt.

Een zelfportret is dat wat eigenlijk niet bestaat,

omdat het uiterlijk door innerlijk gewicht bezwijkt.

 

 


Scherven

 

Resten van gekleurd aardewerk of glas,

brokstukken van eens gekoesterde huisraad,

de vorm verloren van wat het ooit was,

uit onvoorzichtigheid, of een bruuske daad.

 

Soms schittert als een helle scherpe kras,

zonlicht dat breuklijnen even oplichten laat,

uit medelijden of uit ijdelheid - omnia vanitas -

voordat het die resten aan zichzelve overlaat.

 

Ooit, in Athene, schreven leden van de volksraad,

namen op scherven van gehate magistraten,

waarover ze uit angst in den regel zwegen.

 

Wie de meeste stemmen kreeg in dit beraad

moest voor tien jaar de stad als banneling verlaten,

nooit hebben scherven zoveel gewicht gekregen.

 


 

 

 

(On)mogelijke jaren

 

Ooit waren er de grote gebaren,

benijdenswaardige onbezonnenheid;

om je kleurenblind op te staren, 

leven zonder veel angst of spijt.

 

Dan mengden zich onbezwaarde gedachten

met vragen waarop men geen antwoord kent.

Wat blijft er over, of is nog te verwachten,

van hem die het leven langzaam ontwent?

 

Van alles wat hij het liefste wou vergeten,

herinnert hij zich het meeste veel te goed,

ook al schransen er schapen in zijn tuin.

 

Alles wat hij eens zo zeker heeft geweten,

het bleek vermetelheid en overmoed.

Overigens: hij heeft schapen, noch een tuin.

 

 

 

Ontstaan van seizoenen

 

Kwirrelige bossages met kronkelende paden,

kwinkelerende kwintetten, sextetten, octetten,

de komst van de lente wordt heimelijk verraden

door vogels die luidkeels hun zinnen verzetten.

 

De opstand van leven laat zich niet beletten,

uit goede gronden gedijen kiemende zaden.

Bloei en verval worden verheven tot wetten

die naar aard hun karakter eigenzinnig ontladen.

 

Nog dwaalt Demeter van hot naar her,

kan het verliezen van haar dochter niet geloven,

maar terugkeer uit de onderwereld is niet meer ver.

 

Persephone schrijdt haar beloofde weg naar boven,

dodijnend, lichtend als een pas ontloken ster,

geen duistere god die haar dit stralen kan ontroven.

 

 

 

 

Torso

 

Elk overgebleven deel staat voor het geheel,

is in gebroken schoonheid toch volmaakt

door wat niet is - het voornaamst' bestanddeel -

dat verbeelding raakt en wakker maakt.

 

Brokstukken, fragmenten, ingetogen, niet teveel,

spanningsbogen, met kunnen en gevoel bewaakt

in een onvoorspelbaar compositorisch ritueel,

waardoor dood materiaal tot leven raakt.

 

En wat ontbreekt is juist wat de schoonheid is:

pars pro toto, het deel weerspiegelt het geheel.

 

 

 

 

Bericht uit het paradijs

 

Natuurlijk was het niet Pandora's schuld,

al opende ze dat vat met verschrikkelijke kwalen,

een duister erfgoed dat sindsdien de mens omhult

en tot een schaduw van zichzelf poogt te verschralen.

 

Natuurlijk was het ook niet Eva's schuld,

die voor een appel met verdrijving moest betalen.

Ook hier was nieuwsgierigheid oorzaak van tumult,

meer een kwaliteit dan het gevolg van menselijk falen.

 

Als dwaalgast van verbeelding, dochter van fantasie,

voert nieuwsgierigheid tot scheppingen, verzinsels,

soms goddelijk meeslepend, soms dromerige rêverie.

 

Het zijn goden evenwel die in hun meedogenloze jaloezie

- al zijn ze niets meer dan onze eigen hersenspinsels -

mensen straffen die ze niet verdragen kunnen als hun evenknie.

 

 

 

 

 

 

Oude dingen

 

Gemeend, dat was het zeker wel,

en hopelijk geen vergeefse moeite,

gespelde ernst op een wit vel,

gedachten die de schrijver boeiden.

 

Soms was er een verloren letter die te snel

de hele boel welhaast verknoeide,

en weerzien weerzin werd in slechts een tel,

wat men begreep, nochtans verfoeide.

 

Menige brief is vaak te vroeg geschreven,

anderen daarentegen veel te laat,

het juiste moment is meestal niet gegeven.

 

Een brief is vaak iets van oude mensen, 

terugblikkend, ook met goede raad,

handgeschreven uiteraard, en met de beste wensen.

 

 


Tekeningen terugvolgen

 

Lijnen en krassen schrijden mompelend voorbij,

ongegeneerd verken ik hun karakter, verf en inkt,

taal noch teken trekken zich wat aan van mij,

die van de ene gedachte naar de andere hinkt.

 

Tekeningen lees ik van het eind naar het begin,

zoekend naar het moment van hun ontstaan.

Tekens, aanvankelijk schijnbaar zonder zin,

die vanuit niets hun eigen weg lijken te gaan.

 

Wat was het dat de tekenaar heeft doen bekoren,

een ervaring, een gedachte, een herinnering,

een speelse lach, een liefde, berg, of tranendal?

 

Terug dus, wat af is heeft zijn toekomst verloren,

geen ruimte meer voor toevoeging of verandering,

Alles blijft zoals het is, waardoor het nooit meer worden zal.

 

 

 

 

 

 

Afkijken

 

Als kind op school was afkijken streng verboden,

toch deed je het soms als men even niet keek.

Het was zoiets als het verzoeken van de goden

en had ook wat van een achterbakse streek.

 

Je leende ontberende kennis van een ander,

die naar je meende slimmer leek te zijn dan jij,

die beter opgelet had en vooral zeer schrander,

maar bovenal: die naast je zat in de lange rij.

 

Wat heeft de school er om godswil toe gedreven

het aan zoekende kinderen niet te gunnen:

na te doen wat anderen al zo veel beter kunnen?

 

Leren was en is dat nog steeds toch in het leven:

je laven aan pracht en praal van andermans veren.

Afkijken dus: dat is bij het leren zeer te prefereren.

 

 


Engel van de stad

 

Marini schiep paarden met meesterhand,

en ruiters die de weg vanzelfsprekend vonden,

die stapvoets reden door het Etruskenland,

voor ze hun onuitwijkbare strijd aanbonden. 

 

"Engel van de stad", een boer zo rustig gaande,

de armen wijd gestrekt, gespreid als vleugels.

Dan bokkende paarden, op achterbenen staande, 

de ruiter valt er bijna af, hij heeft geen teugels.

 

Mens en dier, eerst zo harmonisch schoon,

worden geduchte tegenpolen, elkaars prooien.

Ze vechten met een haast existentiële ondertoon.

 

Wie kan met deze angst nog hogere ogen gooien?

Welk beeld steekt Marini hier nog naar de kroon?

Hooguit dat vervloekte houten paard van Troje.

 

 

 

 

Teveel Trojes

 

Jongens en meisjes waren het, nog heel wat te bewijzen.

Een beetje verwend ook en bang voor wat gaat komen,

desondanks vervoerd door hun veel te grote dromen,

koploos bereid het noodlot tegemoet te reizen.

 

Odysseus, jonge vader die zijn waanzin veinsde, faalde,

net als Achilles, die zich als meisje tussen maagden hulde;

uitzichtsloze listen die niet het gewenste doel vervulden,

dat ze met verloren jaren, of hun leven duur betaalden. 

 

De belegerde stad verging, het vuur vrat alles rauw,

overwinnaars niet gelouterd, maar vooral getekend,

geen helden die tenslotte huiswaarts keerden.

 

Homerus vertelde over het lot van elke man en vrouw.

Had hij wellicht met duurzame inzichten gerekend?

Al die Trojes naderhand tonen dat wij er niets van leerden.

 

 


 

Oude tekening

 

Ik zie de lijnen die ik zelf ooit schetste,
 zoekende nog, onzeker over kleur en vorm,
 de werkelijkheid die ik moedwillig kwetste,

me niet veel aantrok van traditie en van norm.

 

Nu kijk ik naar het motief dat me ooit raakte,

de verf verbleekt, de lijnen hier en daar vervaagd.
 Ik zoek naar de jongen die dit beeld ooit maakte.
 Is die er nog?, heb ik me afgevraagd.

 

Wat ik toen zag, is allang niet meer daar,
 het landschap, aan een woonwijk teloorgegaan,
 kleuren veranderden als mijn huid en haar.

 

Maar in die schets zie ik vooral wat bleef bestaan:
 de drang van toen, het eigenzinnige gebaar,
 de weigering om met de jaren mee te gaan.

 

 

 

                                                                                                                                      

 

 


Toelichtingen bij de sonnetten



Wat na is maar zover

Bij de sonnetten

Voornaamwoord

Antieke zangers, verhalenvertellers en auteurs, zoals Hesiodos, Homeros en Vergilius, maar later ook Dante, Petrarca, Chauser en Shakespeare, riepen vaak de Muzen aan ter inspiratie. De Muzen zijn de negen dochters van Zeus en van de Titanide Mnemosyne, de verpersoonlijking van het geheugen. Mijn Muze is Beate. Haar naam heeft een latijnse oorsprong en betekent: de gezegende. Zij inspireert mij bij het schrijven en het verbeteren van teksten en gedichten en beeldend werk, en eigenlijk bij mijn leven in het algemeen. Ik noem haar de tiende Muze.

 

Geknakte bloenen

In mijn jeugd droeg mijn grootmoeder mij vaak op om resten van bloemen te verzamelen die kooplui hadden achtergelaten na de markt op de Hof in Amersfoort. Ze maakte er drijfschalen van. Ik zie ze nog glashelder voor mij. Dit sonnet beschrijft de overgang van handelswaar naar afval. De schoonheid van de bloemen is na die transitie nog steeds aanwezig, voor wie het wil zien.

 

Melancholisch

Zeur niet. Neem het lieve voor lief, het is een dubieuze levenswijsheid. Tevredenheid is voor de wijzen en de dwazen niet datgene waar ze uiteindelijk op azen. Hoewel ontevredenheid een pejoratieve connotatie heeft, is het wel een drijvende kracht en een motor voor ontwikkeling.

 

Elegie

Dit sonnet gaat over ouderdom, de vrees voor de onherroepelijkheid van de dood en de wens om op enige wijze te overleven of voort te bestaan. De oude ruilt zijn bezit voor een vermeende en begeerde plaats in het hiernamaals. Wel wetend dat hij bedrogen wordt neemt hij desalniettemin het onzekere voor het zekere.

 

Karig

Dit sonnet spreekt - karig als het is - met weinig woorden voor zichzelf.

Transformatie

In de Griekse mythologie gaat het vaak om transformaties en metamorfosen. De Pleiaden in bovenstaand gedicht veranderden met hulp van Zeus vooreerst in duiven om aan de ongewenste avances van de grote jager Orion te ontkomen. Later werden ze in het hemelgewelf geplaatst als het zevengesternte, ofwel het sterrebeeld Pleiade. De jager Actaeon, een ander voorbeeld, zag per ongeluk Artemis en haar nimfen naakt, terwijl deze een bad namen. Artemis veranderde hem in een hertebok, waarna zijn eigen honden hem verscheurden. En Daphne veranderde in een laurierboom nadat ze belaagd werd door de god Apollo. Iets soortgelijks overkwam ook de nimf Syrinx, achtervolgd door de bokkige god Pan. Ze bad tot de goden om haar in een rietveld te veranderen, wat gebeurde. Pan maakte van enige stengels een panfluit waarop hij daarna zijn treurige muziek blies.

 

Het blauwe uur

Het is het verschijnsel dat er voor zorgt dat 's avonds, net na zonsondergang en bij bepaalde omstandigheden, de lucht en de omgeving een blauwe kleur aannemen. Deze schemering is bij fotografen zeer geliefd.

 

De tanden van de tijd

Een metafoor met betrekking tot het onvermijdelijke verval van mensen en dingen. Je kunt daar ook positief naar kijken. Uit verval kan iets nieuws ontstaan. Zo verhief de Franse beeldhouwer Auguste Rodin (1840 - 1917) de torso, de romp van het menselijke lichaam, tot zelfstandige kunstvorm, tot een afgerond non-finito. Voor zijn tijd was een torso vooral een rest van kunst, dat wat er nog van was overgebleven. Antieke beeldhouwers maakten geen gefragmenteerde beelden. Nu behoort de torso tot een zeer uitdrukkingsvolle uitbeelding van een lichaam en wordt door vele beeldhouwers toegepast. Ik kom hier nog op terug.

 

Vragen

Nieuwsgierigheid is, net als twijfel en verbeeldingskracht dat zijn, een belangrijke voorwaarde voor ontwikkeling. De stimulering van nieuwsgierigheid, twijfel en verbeeldingskracht zijn de belangrijkste kerndoelen bij opvoeding en levenslang leren.

 

Bedacht landschap

Adagium voor een fotografe, in dit geval voor mijn Muze Beate. Het landschap is bedacht, het verstoot tegen de regels van "land" en "schap". In dit sonnet wordt dit nogmaals beklemtoond, ook door te verstoten tegen de structuur van de versvorm. De rijmwoorden staan hier aan de beginregels van de kwartetten en de terzetten, in plaats van aan het einde ervan.

 

Herfst

Wat blijft? In de menselijke existentie is dit een essentiële vraag. We willen voortleven, over de grenzen van het aardse bestaan. Een voorstelbaar, maar niet realistisch verlangen. In universele zin is de vraag minder relevant.

Van nergens naar niets

Spiegels zijn verweerd, het vuur smeult nog, maar dooft langzaam. De zonnekoning schittert allang niet meer. Wellicht is er nog een tijdje een herinnerd bestaan, bij achterblijvers, zolang dat duurt natuurlijk. Daarna is er niets, waarmee niet gezegd wil zijn dat niets niets is. Het niets existeert waarschijnlijk, maar valt buiten ons kennen. Het is van een andere natuur.

 

Twijfel

Het is de kern van het zijn en de motor voor ontwikkeling. De Franse filosoof René Descartes (1596 - 1650) ontleende er zijn 'Cogito-principe' aan: "Dubito, ergo cogito, ergo sum" (Ik twijfel, dus ik denk, dus ik ben). Vertwijfeling daarentegen is eerder een rem, zoals bijvoorbeeld Hamlet ondervond bij zijn dilemma: "To be or not to be".

 

De anderen

"De hel, dat zijn de anderen" is een uitspraak van de Franse filosoof Jean-Paul Sartre (1905 - 1980) in zijn toneelstuk "Huis Clos" ("Achter gesloten deuren"). Anderen kunnen, stelt hij, onze ervaring van de werkelijkheid beperken door ons te reduceren tot vaste beelden, door eenzijdige karakteriseringen, of door ongedifferentieerde rollen die ons worden toegemeten. Hierdoor worden we ingeperkt, belemmerd en niet in onze essentie en individuele kwaliteit waargenomen.

 

Wat je zo mist

De stof waaruit dromen zijn gemaakt is etherisch, vluchtig en ijl, bovendien zeer kostbaar.

 

Een andere tijd

"Uit de tijd komen" gebeurt ons allemaal op den duur. Misschien kom je weer terug in de tijd, maar waarschijnlijk alleen als deel van een andere tijd.

 

Vergeten

Soms schiet je onverwacht weer iets te binnen wat je vergeten hebt. "Tebinnenschieten", ik schrijf het het liefste aan elkaar, als een flits zonder onderbrekingen.

 

Dwalend in okertonen

Oker is een aards pigment. De kleur komt van gehydrateerd ijzeroxide en varieert van dofgoud tot roestig bruin-geel. Blauwe pigmenten waren tot de negentiende eeuw de duurste pigmenten die in de schilderkunst werden gebruikt, vooral die welke ontstonden uit ultramarijn (van Lapis Lazuli). Het zijn voor mij kleuren om in te verdwalen.

 

Wat na is maar zover

Kunstenaars schilderen vaak hun eigen portret. Een vroeg zelfportret is dat van Albrecht Dürer (1500). Ook Rembrandt van Rijn (1606 - 1699) schilderde zich vaak zelf, met aandacht voor zijn verschillende karaktertrekken. Psychologische aspecten bij het vervaardigen van een zelfportret zijn er in de moderne en hedendaagse kunst veelvuldig, bijvoorbeeld bij Vincent van Gogh (1853 - 1890); Egon Schiele (1890 - 1918); Pablo Picasso (1881 - 1973); Max Beckmann (1884 - 1950); Charley Toorop (1891 - 1955) en zovele anderen. De metafoor van de "Spiegel van de ziel" duidt wellicht de grootste belemmering aan voor het doen slagen van een tevredenstellend zelfportret omdat de eigen ziel zo nabij schijnt, maar tegelijk zo ver is. De schilder werkt aan haar of zijn uiterlijk, maar feitelijk is het een strijd met het eigen innerlijk. Dit dualisme laat zich moeilijk vangen in een portret. Bij de Oostenrijkse schilder Oskar Kokoschka (1886-1980) is die strijd bij het maken van zelfportretten, of portretten van anderen, zeer zichtbaar. Vaak waren door hem geportretteerden niet tevreden met het resultaat. Waarschijnlijk voelden zij zich niet gezien, niet begrepen, of misschien zelfs betrapt.

Scherven

Ostracisme (ostrakon is Grieks voor scherf) was in de Atheense democratie de naam voor het schervengericht waarmee gehate machthebbers voor tien jaar verbannen werden. Tegenwoordig wordt dit begrip ook gehanteerd voor sociale uitsluiting van personen uit de samenleving.

 

(On)mogelijke jaren

(On)mogelijkheid is een thema dat mijn sculpturale werk beïnvloedt. Mijn sculpturen zijn vaak uitbeeldingen van (on)mogelijke gezichten uit de Griekse mythologie. "Onmogelijk" omdat ik de personen die ik vorm geef, niet persoonlijk gekend heb vanwege het tijdsverschil, of die niet echt hebben bestaan, behalve dan in verhalen. Ik probeer vorm te geven aan de concepten waarvoor ze staan. Tegelijk zijn ze visueel "mogelijk" door de kracht van de verbeelding. Verbeeldingskracht is het metaforische vuur dat de Titaan Prometheus ten behoeve van de mensen van de goden stal en waarmee hij hen beroofde van de uniciteit van hun kerncompetentie: het scheppen. Mensen werden door het bezit van de kracht van de verbeelding aan de goden gelijk. Ze zouden daarmee hun eigen goden kunnen scheppen, dat deden ze ook, of een tuin van Eden, of - zoals in dit gedicht - een gedroomde tuin met veel herinneringen. Een tuin met herinneringen die aangevreten worden in de loop van de tijd. Ik hanteer voor dat gestage geheugenverlies het beeld van kaalvretende schapen die men het liefste ontkent.

 

Ontstaan van seizoenen

Het ontstaan van de seizoenen is in de Griekse mythologie verklaard door de mythe van Persephone en haar moeder Demeter. Demeter is de godin van de landbouw en ze zorgt voor de aarde. Als haar jonge dochter Persephone wordt ontvoerd door Hades, de god van de onderwereld, zoekt Demeter haar vertwijfeld en laat ondertussen de aarde verkommeren.

Uiteindelijk grijpt Zeus, de oppergod, in. Omdat Persephone in de onderwereld een kleinigheid (pijnboompitten) heeft gegeten mag ze niet permanent terug naar de aarde. Er wordt overeengekomen dat ze een half jaar bij Hades blijft en een half jaar bij haar moeder. In de periode bij Hades laat Demeter de aarde afsterven (herfst en winter). In de periode van de terugkeer van Persephone (lente en zomer) bloeit de aarde weer op. En zo zijn dus de seizoenen ontstaan.

 

Torso

In dit sonnet ontbreekt de laatste regel van het eerste terzet. Het tweede terzet ontbreekt geheel. Je zou kunnen zeggen: dit sonnet is een torso, het is af zoals het is. De franse beeldhouwer Rodin (1840 - 1917) was de eerste beeldhouwer die de torso als zelfstandige kunstvorm introduceerde. Voordien zijn er beroemde torso's gevonden, bijvoorbeeld de Venus van Milo van Alexandros van Antiochia, 2000 v. Chr. Die beelden zijn evenwel niet als torso gemaakt, maar ze verloren ledematen in de loop van de tijd. Behalve Rodin zijn er veel kunstenaars die torso's maakten of maken:  Camille Claudel (1864 - 1943) bijvoorbeeld, of Aristide Maillol (1861 - 1944); Alexander Archipenko (1887 - 1964); Wilhelm Lehmbruck (1881 - 1919); Julio González (1876 - 1942); Fritz Wotruba (1907 - 1975); Han Wezelaar (1901 - 1984); Eja Siepman van den Berg (1943). Het zijn er een paar, maar niet de minsten.

 

Bericht uit het paradijs

Verbeeldingskracht leidt tot vragen naar wat achter de dingen schuilt. Dat voert vaak tot de wens naar verandering en de behoefte aan vooruitgang. In dictaturen en andere totalitaire en op strikte ideologieën gebaseerde regimes zijn verbeeldingskracht, het zelf denken en nieuwsgierigheid een gevaar dat door strenge regelgeving wordt ingeperkt en met bestraffingen bij overtredingen wordt bestreden. Pandora mocht het vat dat ze kado kreeg niet openen. Adam en Eva was het verboden om van die lekkere appels te eten. Het zijn voorbeelden van ondoorzichtige en imperatieve dwangmaatregelen die er voor moeten zorgen dat "het paradijs" vooral de speeltuin blijft van de machthebbers.

 

Oude dingen

Een brief staat op de denkbeeldige lijst „Van oude mensen, de dingen, die verdwijnen...". Wie herinnert zich Couperus nog, of over een poosje wellicht de relikwieën van de correspondentie, zoals: een vulpen, postzegel, postbode, brievenbus. De beste wensen in brieven van oude mensen hebben betrekking op de ontvanger: Dat het je goed gaat! Dat is een gemeende wens. Maar niet minder hebben ze ook een bezwerende betekenis voor de schrijver zelf, die weet: met het verstrijken van de jaren wordt veel er niet beter op. Tel je zegeningen!

 

Tekeningen terugvolgen

Het werkwoord "terugvolgen" heeft in het sonnet niets van doen met het "terugliken" van bijdragen van personen die jou in een sociaal netwerk hebben "geliked". 

Ik gebruik het neologisme in de betekenis van "het spoor teruggaan tot het ontstaan". In dit geval gaat het om tekeningen die ik van achteren naar voren probeer te lezen. Van de eindversie naar hun mogelijk ontstaan. Met welk beeldelement zou de tekenaar zijn begonnen? Wat volgde? Kun je een tekening teruglezen naar dat moment om daarna de ontwikkelingsstappen door de ogen van de tekenaar opnieuw te zien? Waar is de tekenaar begonnen, en toen...? Het is een "mompelend proces", in de zin van voorzichtig, soms mokkend, onzeker, terughoudend. Je weet maar nooit. Het is ook een plechtig voortschrijdend proces. Het is verbonden met respect. Je bemoeit je tenslotte met het werk van een ander. Essentieel bij dit sonnet is de gedachte dat wat af is zijn toekomst verloren heeft. Veel waarmee men klaar is, is nog niet af. Je kunt zelf opnieuw ingrijpen in het ontwikkelingsproces, of anderen doen dat met jouw werk. Picasso veranderde nog schilderijen in een galerie met werk dat al was verkocht. Een pianist die een Schubert Sonate speelt interpreteert het werk waardoor het verandert. Ikzelf verander voortdurend mijn tekeningen, schilderijen, sculpturen, of gedichten. Ook als ik ze eerder als "af" heb verklaard. Overigens zijn lang niet alle veranderingen een verbetering en heb ik me zelf vaak een "reset-knop" gewenst. 

 

Afkijken

Een school is een leer- en leefgemeenschap. De kernopgave van leerkrachten is niet de diagnose van wat kinderen niet kunnen. Het gaat er om ze moed te maken bij wat al gaat.

 

Engel van de stad

De Italiaanse beeldhouwer Marino Marini (1901 - 1980) maakte vele prachtige ruiterstandbeelden. Eerst waren dat beelden van boeren die hij door het Toscaanse land zag rijden. Later werden die ruiters expressieve uitbeeldingen van angsten en verloren controle van de moderne mens in de 20e-eeuwse beeldhouwkunst. Zijn Etruskische ruiters veranderden na de tweede wereldoorlog in apocalyptische sculpturen. Miracoli (Wonderen) noemt hij ze. In deze werken is de ruiter vaak machteloos en stort van zijn paard. Marini verbeeldt zijn persoonlijke wanhoop over de toestand van de wereld door de oorlog. Het Nederlandse museum Kröller-Müller bezit een indrukwekkende ruitersculptuur van deze kunstenaar. Het gaat om een houten beeld van een paard en berijder, waarbij de laatste bijna afgeworpen wordt. Het werk is beschilderd en stamt uit de periode 1951 - 1955.

 

Teveel Trojes

De "Ilias" van Homeros vertelt over een relatief korte periode: 51 dagen uit het tiende en laatste oorlogsjaar, uit de strijd van de Grieken om Troje. Het gaat vooral om leed dat jonge mensen overkomt en dat ze ook zelf anderen aandoen. De Franse filosofe Simone Weil (1909-1943) schreef aan het begin van de Tweede Wereldoorlog het essay "De Ilias, of het gedicht van de kracht". De 'kracht' is een blinde macht die zowel de Grieken als de Trojanen onderwerpt. Wie vandaag overwint, zal morgen door het noodlot worden verpletterd.Ze gebruikte het epos over de Trojaanse oorlog als een spiegel voor de moderne tijd om te waarschuwen dat blinde overgave aan ideologie altijd leidt tot de vernietiging van de menselijke waardigheid. Een paar honderd jaren na de "Ilias" van Homeros schrijft Euripides zijn drama "De Trojaanse vrouwen", bedoeld als kritiek op oorlogsgeweld, gerelateerd aan de wrede onderdrukking van Melos door Athene in 415 v.Chr. Vele "Trojes" volgden nadien, tot op de dag van vandaag.

 

Oude tekening

Dit gedicht over een oude tekening, met als kern de zin: "Ik zoek naar de jongen die dit beeld maakte. Is die er nog?, heb ik me afgevraagd", is de afsluiting van dertig voornamelijk retrospectieve sonnetten. Het gaat over de weerstand tegen het verouderd raken.