Nederlandstalige gedichten Jos Letschert
Beeldhouwen en poëzie zijn nauw met elkaar verbonden kunstzinnige vormen van expressie. Beide disciplines streven naar het comprimeren van ideeën, concepten, opvattingen en gedachten. Uiteindelijk is de gecondenseerde vorm anders, maar de bedoelingen zijn vergelijkbaar. De beeldhouwer is een materiële dichter, de dichter is een beeldhouwer met woorden.
Mijn moedertaal is het Nederlands. Ik schrijf mijn gedichten altijd het eerst in het Nederlands. De vertalingen ontstaan op basis van deze Nederlandse teksten. De vertalingen in het Duits zijn van de hand van Beate Letschert. Tekstredactie van alle gedichten is ook verzorgd door Beate Letschert.
Gedichten
Was ik een kraai,
ik vulde mijn snavel
met witte inkt,
om elke dag iets
te betekenen.
Tuin
Een meidoornhaag geplant,
wat rhododendrons verplaatst,
een buxus in een pot gezet,
de rozen opgebonden.
Zo hier en daar wat ingegrepen,
in de kleine orde van dit leven.
Vuile handen gemaakt, onkruid
gewied, gedachten gebundeld,
woorden water gegeven.
Ongerijmd
Geen woord
op papier gezet,
geen gedachte
geordend.
De leegte gelaten.
Alleen wat glossen,
bij niet geschreven
frasen. Betekenis
valt niet te rijmen.
Toeval
Ik houd me niet echt bezig
met vragen als: Is toeval
wel toevallig? of: Wat is
geluk nog in dit land?
Maar toevallige gedachten
verzamel ik met juttershand.
Glimmende schatten,
stranddieverij,
bevallige gedichten,
geluk in het zand.
Ongedurigheid
Verlangen
kenmerkt mijn
bestaan:
een ander huis,
een ander land,
een andere wijn,
een ander boek.
Anders dan mijn
daden, laat het zich
niet door maat of
grens beperken.
Geen ontevredenheid
is het, ongedurigheid
eerder, of zo.
Een nieuwe trui,
een vreemde vrouw,
een vergezicht,
een stilleven,
een ander gedicht.
Soap
Ik mag haar graag,
zoals ze loopt en denkt,
haar blikken richt,
de mond voorbij praat.
Ze beleeft de dingen
zeer intens, soms zegt ze
zinnen van de soap,
geëxalteerde werkelijkheid,
maar ook: Gaat het nog
regenen vandaag?
Ik kijk vast uit
naar wat er morgen
komen gaat: een
rozenrode droom,
of een buitje, dat
weer overwaait.
Ogenblik
Een kort moment
van liefde. Waanzin
van een ogenblik.
Een hart op hol.
Ogen, in elkaar
verloren. Lichtzinnig
bedrogen. Geluk
naar god.
Dat zijn de momenten,
die voor de dichtkunst
zo attractief zijn.
Vroege ochtend
Heb jij de vroege
ochtend ook zo lief?
Ik heb al thee gezet.
Een krant, gevouwen
als een nieuw overhemd,
ligt tussen onze borden in.
Wil jij het binnenland,
of liever sport?
En lees je me dan
af en toe wat voor?
Vanagloria
Bladeren
op de grijze grond,
nat van regen.
De heg een staketsel
van takken en stekels,
verzamelde narrenstokken.
Wat verwacht je meer
van meidoorn in november?
Deprimerend
Niets is zo deprimerend als
bruin blad in niet weglopend
water op een zwartgeteerd
plat dak, tussen stukken oude
kranten, een plastic tas, een
kapotte bierfles.
Plattegrond van voorbije dingen,
onachtzaam ontworpen door
opzet of stom toeval. Narratief
van een treurig leven.
Van E naar A en omgekeerd
Vaak reis ik van E naar A
en omgekeerd. Ik ken de
ver- en de dichtbijgezichten
aan beide zijden van het spoor.
En tussen E en A denk ik:
Waar ik mij thuis wens, wil
ik wonen, en waar ik woon,
wens ik mij thuis.
Grand Place Brussel
Het plein is geplaveid
met plassen en rotzooi
van regen en voorbije markt.
Er vloeide bloed van graven
en grauw. Gemind is er en
gevochten, door tere zielen
en zatte lappen. Zeker en
vast zijn er ook vogeltjes
verkocht, met vlotte praat,
op natte schoenen.
North Bridge Edinburgh
De brug welft over park en spoor,
verbindt de oude met de nieuwe stad,
maar oud is eigenlijk alles hier,
door de van rook en zure regen
grauw geworden stenen.
De dagen zijn er niet zo lang.
Daglicht heeft geen noemenswaardige
levensduur. Blauwe lucht lijkt hier
nooit te zijn uitgevonden.
Maar dan de avonden, in kroegen
met het lauwe bier, en de verhalen
hoe het vroeger was, en nooit meer
worden zal. Of toch?
Verlangen
Op de grens
van zee en zand,
kan ik geen keuze
maken.
Verlangen naar
de andere kant.
Terwijl ik droom,
wil ik ontwaken,
als ik wakker ben,
probeer ik om
te slapen.
Kade
Een zwartgeteerde,
zoutverweerde paal,
geklemd aan de kade,
daarnaast een ijzeren
ladder, niet verder dan
halfweegs naar onderen,
met bogen voor hulp
aan optrekkende handen.
Een rand van beton,
fel oranje geverfd:
hier eindigt het land,
begint de zee.
Hoe hoog moet de
vloed zijn voor een
dwalende schipper?
Kent hij het uur,
het juiste moment?
Wat beweegt hem
om hier aan te leggen,
zijn vaartuig te laten
en met zijn laarzen
de verf op het land
te schrapen?
Hoe laag kan de eb zijn,
om het land te verlaten,
om van de laatste trede
de sprong te wagen naar
het hout van de boot?
Kent hij het ogenblik,
of vertrouwt hij het toeval,
zoals de lijnen in het zand,
schijnbaar zonder grond?
Zand in september
Zand, niets dan zand
en water, je stappen
verdrinken als mijn
schoorvoetende
gedachten. Zee komt
en gaat.
De zoom van je
kuitlange jurk kleurt
donkerroze door het
schuim van golven
die je voeten omspoelen,
even maar, voordat ze
zich schielijk terugtrekken,
als verliefde, maar
verlegen pubers.
Zee bij Sylt
Zee, alleen zee,
geen golf die het aandurft
om een kop op te steken.
Verwachtingsvol ben ik,
als een zwerm meeuwen
achter een viskotter.
Waaraan denk je, vraag je,
waaraan denk ik, denk ik,
hoog op het duin tussen
Kampen en List.
Als je het me vraagt,
weet ik het niet,
als je het me niet vraagt,
weet ik het.
Kind
Je bent een kind,
ik zie je duidelijk voor mij.
Je speelt in de tuin
met het zwarte zand,
de hark en de emmer.
Op één been hinkel je
op het pad in het gras
en tel je de kiezels
die je tegenkomt.
Geen sla je over.
Je verzamelt gedachten
als bloemen voor een boeket.
Al zo lang ben je kind
in deze tuin.
Momenten
Koester je
momenten
van geluk.
Verzeker je
van warmte
voor kille uren.
Een vogel vliegt
voorbij.
De telefoon gaat.
De krant komt.
Theewater kookt.
Ik hou van jou,
vandaag,
niet meer bijzonder
dan morgen, denk ik,
maar bijzonder meer
dan gisteren, of als
ik je nu zeggen kan.
Een geheime tuin
Soms, voordat de avond valt,
lopen we op afvallig blad
en onbezonnen kronkelpaden,
onder het oude hout van een
geheime tuin. En niemand
weet hoe je er komen kunt,
jij ook niet.
Het is een tuin van een bedenkelijk
allooi, niet van tevoren overdacht
beplant. Je vindt er struiken zonder
blad, maar dat komt door het
jaargetijde. Het toeval is er de tuinier,
bezoekers worden niet verwacht.
Wie er ronddoolt op een late avond,
wordt zelf een deel van het geheim.
Stijlkamers
Wie ‘s avonds wandelen gaat
in oude hollandse binnensteden,
ziet in het voorbijgaan soms,
in het schemerlicht van lampen,
door niet afgesloten vensters en
tussen het groen van kamerplanten,
in decent gebloemde cachepots,
nog glimpen van stijlkamers.
Huiselijke intimiteit, eigenlijk verscholen,
maar tegelijk zo open opgedekt,
wordt slechts terloops bewaakt
door stijlvolle deuren, grachtengroen,
bij zwart af en met een koperen knop.
Op ooghoogte handgeschilderd
een naam of nummer in een zwierig,
maar chique lettertype.
De wandelaar gaat er respectvol
aan voorbij, even de gang vertragend,
de stappen voor een moment ingehouden.
Zijn blik dringt naar binnen:
waarnemend, toevallig, verlangend?
Hij ziet mij niet.
De wandelaar is alweer voorbij.
Ik hoor zijn stappen nog. Ze klinken
als in een Impromptu van Schubert.
Impromptu
Witte verf als verse sneeuw,
gemorst op platgelopen gras,
op afvallig blad of kale steen,
of eenvoudigweg verloren
in een plas water,
in smeulend vuur:
ondergrond.
Een niet vooruitbedacht patroon,
ongeordende ogenblikken
ontwikkelen improviserend
bewoonbare gedachten
met een tedere structuur:
bovengrond.
Krassen en strepen
Tussen krassen en strepen
lichten kleuren op,
vluchten vormen en lijnen,
raken beelden op drift.
Wat ik vastleg, bestrijd ik,
wat ik loslaat,
wil ik niet afgeven.
Veel moet worden toegevoegd,
om duidelijk te maken,
wat ik weglaat.
Niets is eenvoudig
Een woord verzinnen
voor een ongerijmd gedicht,
de zin verwoorden
en een begrip verbeelden,
vandaag een foto maken
van wat morgen pas gebeurt,
je herinneren aan iets dat
nog niet is geweest, of:
geluk van toeval ontdoen.
Niets is eenvoudig.
Gemak dient de mens niet.
Opgeven loont niet.
Veel is de moeite waard.
Te gecompliceerd
Hoe ver weg kun je zijn,
als je dichtbij bent?
Kun je verte verzinnen,
hoe lang duurt een spel?
Wat is het meervoud
van enkelvoud?
Wanneer is iets af,
of zal het dan pas
beginnen?
Simpelheid laat
zich niet dicteren,
zoals: te gecompliceerd,
meneer Schubert.
Wij houden niet zo
van complexen.
Waar ben je nu?
Ik kan je niet spelen,
nareizen, meenemen.
Ik heb je liever dan liefst,
steeds om me heen,
vooral als je weg bent,
ja dan, vooral
als je weg bent,
met al je noten
op je zang.
Sneeuw van gisteren (1)
In sneeuw van gisteren
kun je bij voldoende dooi
nog fragmenten vinden
van verloren gewaande
gedachten.
Waarheden
Als het waar is,
hoe lang al, of
hoe lang nog?
Voor wie dan?
Als het waar is,
is het vaak te
mooi om waar
te zijn, of hooguit
voor een of twee
nog onbevangen
ogenblikken, en
dan is het ook
gelijk weer
anders toch,
niet waar?
Zulke avonden
Ik ben vanavond
op visite
bij mijzelf.
Niet veel aan,
een leeg glas,
weinig licht.
Ik kijk verstolen
op de klok, of ik
al kan gaan.
Tekenend
Zwenkend tussen
uiterlijkheden en
overwegingen
bedenk ik lange
dunne lijnen, korte
strepen, vlakken.
Alles geen punt.
Zwervend over
plat papieren
landschap schep
ik ruimte en andere
falsificaties, soms
met sprongen, vaak
ook in een trage
gang, of stappend.
Ik strooi voer
voor sporenzoekers en
betekenisverbergende
krassen voor noeste
handschriftlezers.
Kraai
Het lastige
aan kraai te zijn:
onhandig snavel je
je door de dag.
Was ik een kraai,
ik vulde mijn snavel
met witte inkt,
om elke dag iets
te betekenen.
Teveel
Van lange gedichten
houd ik niet zo. Vier,
vijf regels is eigenlijk
al teveel. Beschaamd
lees ik ze als proces-
verbaal van emoties:
droefheid, treurnis en
andersoortige ellende.
Wat vertrouwen ze je
toe, die dichters, met
hun doodsverlangen,
een immer onbereikbaar,
desalniettemin verloren
lief, het schamel lichaam,
of vertwijfeling over
een sloom bestaan.
Royaal daarentegen
kan ik uitweiden in een
tekening: drie, vier, wel
veertig bladen zouden het
mogen zijn, doorlopend
van het ene papier naar
het andere, voor- en
achterkant, maar een
gedicht, nou nee,
vier, vijf regels is
eigenlijk al teveel.
Woorden
Guitig, zo’n woord
is het, je kent het wel,
maar niet precies.
Zoiets als bijster,
je bent het snel
kwijt, als het spoor
bijvoorbeeld.
Woordenboeken
Van woordenboeken
heb ik zinnenboeken
nog het liefst.
Ik lees ze van
achter naar voren,
op zoek naar het begin,
net als in tekeningen.
Praatbewegingen
Ik zie je praten,
van een afstand,
met hier en daar
onderbrekingen,
dat wil zeggen:
ik zie de dislocatie
van praatbewegingen,
ze komen af en aan,
pulserend, blazend,
soms zoutend, vaak
dragend, ook wel
verschietend, of
traag onderduikend,
zonder hoorbare
woorden, in een
zinloze zee.
Foto
Hoe jij een foto
maakt, nee,
voorbereidt –
motieven ver
te zoeken, zoiets
als vlotte vinger-
sporen, wildgroei,
vrachtwagendagen,
kermisquatsch, of
venstervocht.
Diafragma’s,
sluitertijden, als
hamers, spijkers,
beitels, het beeld
ga je ermee te lijf,
hoe zelfs uit niets,
iets wordt dat
er op wacht om
betrapt te worden.
Sluitertijd
Wat er was
is niet weg,
al kun je het
niet aanraken,
het raakt immer.
Herinneringen
worden mooier
op den duur
na het sluiten
van de tijd.
Sjamberloek
Steeds dat beeld
voor ogen, een
toevallig geziene foto,
Paul Verlaine, logerend
bij Willem Witsen en
Isaac Israels, twee weken
Holland, 1892, hovaardig
bijna bezitnemend van
die dichterlijk intussen
al zo vaak betreden kamer,
zittend in een oude zijden
geborduurde chinese
kamermantel, sjamberloek,
geleend van Isaac, een
bonte bladerpracht, een
herfstlied, ja, gezongen
op binnenvallend licht,
vastgehouden met de
monochrome glans van
zilvergelatine, en nu,
steeds weer, dat beeld
voor ogen.
Bladgoud
Je belde op
maar niet aan,
laatste resten
van bladgoud
kleven hardnekkig
aan mijn vingers,
ik haalde je over
maar niet op,
het is er niet zo
van gekomen,
dat alles op zijn
plaats viel,
dat dacht ik toen
onwennig, en veel
te laat natuurlijk,
schuilend voor
regen en tranen.
Verdwaald
Zolang je niet weet
waar je heen moet,
ben je de weg
nog niet kwijt.
Als je het weet,
waar je heen wilt,
maar niet precies
hoe je er komt,
nou, dan ben je
verdwaald.
Zoals een blad valt
Min of meer dansend,
wiegend eigenlijk -
of beter: wijfelend,
wilde je er eerst nog
over vertellen, maar
wist niet waar
of wanneer
het begonnen was,
heb toen alleen nog
maar gekeken, naar hoe
onontkoombaar zelfs
een dansend blad
toch valt.
Alsof
Alsof het niet
altijd zo was,
we hebben gelezen
en gelachen,
wat je me niet
vertelde heb ik
onthouden en
vergeten wat je zei,
door het raam
keken we naar
elkaar en naar
dingen die zich
ijdel en tuitig
spiegelden
in het glas,
alsof het niet
altijd zo was, maar
zo was het niet.
Wentelkraam
Wat mensen
zich aandoen,
achterklap en
wentelkraam,
gestolde nijd,
bedorven angst,
treurigheid en
tierelantijn.
Onvertogen
zondagsschilders,
hondenoppassers,
lantaarnopstekers.
De avond vrees
ik, de nacht ken ik
niet, de morgen
beleef ik niet, mensen
zie ik voorbijgaan
op hun sneue weg
naar andermans
verdriet.
Slecht gezelschap
Jij kent ze niet, zij
kennen daarentegen jou,
en op een dag zo zwart
als een piano, maar met
altijd nog muziek erin,
verzamelt Zwodderkous
de Havelaar, verhaspelt
Labberlot de halfvergane
resten van onnodige allure,
strapatsen onder het
vooringenomen oog van
Onevaar, dat nutteloos
lekveld.
Straathonden, cherubijnen,
gauwdieven, duvelstoejagers,
chicanerende kompanen
in een trijterend leven.
Collaterale schade
Wellicht zoiets,
of toch wat anders?
Zo is het dan
gelopen, niet?
Ik weet het zeker.
Zeg ook eens wat,
jij, kruipend door
de modder, dwepend
met verlepte veren
en een godvergeten
wachtwoord, verlamde
handen, grabbelende
goochelaar, ontglippende
koningsdochter, ik had
je liever dan jij mij,
meende ik onterecht,
maar dat was na de
storm, na het krijsen
van kettingzagen.
Ik vermoed de angst
van vogels. Het lijkt ze
niets te doen.
Eerste verdriet
Ik weet niet meer
hoe oud ik was.
Ik had een step.
Hoe oud ben je
als je een step hebt:
vier, vijf jaar?
De step had een
opklapbaar rekje
over het achterwiel,
waarop je al rijdend
kon gaan zitten,
althans met voldoende
bij elkaar gestepte
snelheid natuurlijk.
Ik zat er niet zo heel
vaak op, dat rekje
was gereserveerd
voor beer, zijn poten
geklemd onder de
zwarte dragers:
steppen maar.
Tot dat ene fatale
moment: had hij
de benen genomen,
of was hij er gewoon
vanaf gevallen?
Tot nu nog herinnerde
ontroostbare droefheid:
mijn eerste grote verdriet.
De laatste Indiaan
Er liepen nog paarden
in de „Horseweide“.
Mijn opa beende
met grote stappen
door het natte gras,
met dubbele stappen
ging ik naast hem.
Hij sneed takken
van een boom en
uit zijn zak haalde
hij touw. De grootste
tak spande hij tot
boog, andere puntte
hij tot pijlen. Het restje
touw werd om mijn
haar geknoopt, een
eendeveer erin.
Opeens was ik een
indiaan en opa
opperhoofd, met
een Hofnar in zijn
kop – zijn favoriete
merk sigaren.
Nu staan er huizen
in de „Horseweide“,
paarden zie je er
niet meer. Daar was
ik ooit gelukkig en
de laatste indiaan.
Ouder wordend
Minder wetend,
meer vermoedend,
niet meer gelovend,
eerder hopend,
twijfelend vooral,
en veel intuïtiever
dan voorheen.
Hoe ouder ook,
des te ongeduldiger,
er is niet meer
zo veel tijd.
Alibivliegeren
Vroeger maakten wij vliegers,
nou ja, mijn vader maakte
vliegers voor mij, dat wil zeggen:
ik mocht er niet aankomen,
hooguit bij het oplaten, wat
een heel proces was. Eerst
moest het touw eraan, niet
vastgeknoopt, maar met twee
lucifers door de lus van het tuig.
Daarna hard lopen, mijn vader
bedoel ik. Vaak was de staart
te zwaar, of juist te licht, dan
moest papier eraf, of erbij.
Dan weer lopen. Als hij stond,
de vlieger dus, mocht ik af en
toe het touw vasthouden, nou ja,
mijn vader hield de klos vast,
een stuk hout met twee
uitstekende latjes, wat het
afwikkelen en oprollen zeer
bevorderde. Ik mocht dus even
aan het touw zitten, voelde
de spanning op de draad van de
trekkende vlieger, zich verzettend
tegen de wind, het touw in een
lange boog, van onze handen tot
in de lucht. Soms stuurden we
boodschappen naar boven, nou ja,
mijn vader dan, stukjes papier tot
het midden ingescheurd, om het
touw geschoven zo hoog als het
ging, waarna de wind het overnam.
Na een tijd werd de vlieger weer
ingehaald, meter voor meter het
touw oprollend. Soms ook ging
een vlieger verloren, door een
rukwind, een te scherp ingezette
daling, een touwbreuk. Dat was
spijtig, maar ook mooi, dan konden
we een nieuwe vlieger maken,
nou ja, mijn vader dan, voor mij,
als alibi.
Een boot bouwen
Vier jaar was ik, of
zoiets ongeveer, net
in de kleuterklas. Ik
bouwde met blokken
een boot, samen met
- zijn naam ben ik vergeten -,
en die nonnen daar, die
begrepen tenminste dat
we dat ding aan het einde
van de middag niet konden
opruimen.
Mijn grootvader is een
loodgieter, zei ik tegen
- zijn naam ben ik vergeten -,
hij kan alles maken, een roer
bijvoorbeeld, dan varen we
morgen weg. Ik geloofde echt
dat we konden varen, ik was
ervan overtuigd. Zoveel heb
ik later nog geloofd, wat ik
daarna weer kwijtgeraakt ben,
maar dat we konden varen
met dit zelfgebouwde schip,
dat geloof heb ik tot op heden
nog bewaard.
Vloeipapier
Als kind had ik
op school een
kroontjespen,
een inktpot in
de lessenaar,
een vloeipapier.
De natte woorden
werden, meer of
minder goed gelukt,
gedept en opgezogen
in het vloei, daarmee
omgekeerd gedrukt.
Wat ik zojuist had
opgeschreven, werd
zodoende direct
uitgegeven, wat niet
zo vaak gebeurde
in mijn verder leven.
Eens geweest
Eens geweest is soms
nog mogelijk, maar niet
altijd. Waar ooit mijn
huis was, is het huis er
nog, maar niet van mij.
Ik schilder het niet meer,
ook niet om het op
te kalefateren.
Zeker weten
Als je me zegt
dat je het niet weet,
betekent dat niet
dat je het niet weet.
Waarschijnlijk weet
je het wel, maar niet
voldoende om te
kunnen zeggen of
het wetenswaardig
is, of niet zeker genoeg
om het in woorden
te willen vastleggen.
Mythologische gedichten
Paradoxaal
Onbewust
het altijd
al geweten,
nooit zo
begrepen
evenwel.
Meningen,
leugens,
verklaringen,
wijsheden,
rechtvaardiging,
hoop, tegen
verwachting.
Mythen:
dragers van
vrees en
verlangen,
consequent
tegenstrijdig,
paradoxaal
en de goden
verzoekend.
Chaos
Volkomen
leegte - Chaos
is haar naam -
baarde Nyx,
donkere nacht,
en Erebos,
uitzichtsloze
duisternis.
Hun kroost
dwaalt nog
onder ons.
Aether: lucht
die omhult;
Hemera: de
te korte, of
te lange dag;
Momos: eigen
of andermans
schuld, immer
kwalijk kwellend;
Ponos: tergende
inspanning;
Moros: onheil
dat niet heelt;
Thanatos: dood,
wrede overvaller;
Hypnos: slaap,
verkwikkend of
verstikkend;
Nemesis: wraak;
Apate: misleiding;
Philotes: buiten-
beentje vriendschap;
Geras: slopende
en onomkeerbare
wrede ouderdom;
Eris: terugkerende
conflicten.
Goden! Sta ons bij,
of eigenlijk: liever niet.
Bedenktijd
Tijd was
niet lineair,
verbeelding
nog een
goede vriend.
Jong was ik,
misschien een
paar honderd
levens, te tellen
op vingers van
tien handen, of
vijf voeten en
vijf handen,
overzichtelijk
in elk geval.
Vaak moest ik
daar aan denken,
voordat ik werd
geboren.
Met tegenzin
herinner ik mij
de weg die nog
te gaan is, aan
chaos voorbij.
Na de ijstijd
Totdat het
ophoudt, je
staat er niet
bij stil, veel
wordt vergeten
op den duur.
Geen enkele
herkenbare
aanleiding, ook
geen herinnerd
moment aan wat
ik nooit kon laten,
maar nu toch niet
meer doe, zoals:
schaatsen op
bevroren meren,
als in een gestold
stilleven, op een
doorreis van nergens
naar niets.
Lange reis
En als je gaat,
nog één kusje
dan, het is zo’n
lange reis en ik
kan niet met je
mee.
Het is een reis
die je niet zelf
hebt uitgekozen,
je weet niet eens
waarheen, en of je
voor daarginds,
wellicht iets mee
moet nemen,
een jas, een tas,
een hoed,
of zo.
Nog één kusje
dan, voordat je
gaat, het is zo’n
lange reis. Er is
geen god die op
je wacht. Jouw
god heb je zojuist
verlaten.
Met andere ogen
Ik wil jouw aandacht,
jouw opmerkzaamheid,
opdat ik weten kan
dat jij mij ziet, en dat
je alles waarneemt
wat ik doe of laat, en
dat je hoort wat ik
verzwijg, of fluisterend
tegen je zeg.
Wie ben ik als er
niemand is die merkt
dat ik er ben? Ik ben er
pas als je echt naar me
kijkt, en heel misschien
zie je me dan - dit keer
met andere ogen.
Verbroken
Wat is er over als
er niets meer is?
Bodemloze ruimte
misschien, resten
van een membraan,
natrillen van verbroken
verbinding wellicht,
of gebrek aan
verwondering.
Interface
Onder
maskers
verbergen
zich andere
geleende
gezichten,
net als daar
weer onder.
Verschijnend,
verdwijnend,
sprekend
in vele talen,
die ze niet
beheersen.
Aanlanden
Voor het aanlanden
de ogen gesloten,
onzeker nog, ook
verwachtingsvol.
Er wacht wellicht
een afwijzing, zonder
redelijke verklaring,
zoals veren aan een
stok gebonden, een
vogelkop, een dode
mus, of een ander
totem voor lokale
ingewijden.
De morgen schijnt
niet bewoonbaar:
een allang verlaten
papieren wespennest,
door zoekende kraaien
kapot gereten.
Het water is aflandig.
Niets wijst op een
gelukkige afloop. Ik
ben aangekomen, om
gelijk weer te verdwalen.
Voorouders
Een kind ben ik
van vele ouders,
voorgangers
stapelend in en
op mijn hoofd.
Ik draag ze mee
als penaten,
fetisjen, vaak een
last, steeds hopend
op schoorvoetende
zegen. De meesten
zijn mij vreemd en ver.
In gedachten reis ik
terug naar van waar
ik kwam, onderweg
tekens koesterend,
grenzen verleggend,
vogels bevragend,
schaduwen bevechtend,
woedend op voorbije
tijd, zoekend naar een
onzekere bestemming.
Witte kraaien
Dwalend in vreemde
plaatsen, van geen
de toekomst kennende,
noch het verleden: vlijtige
boodschappers van dwaze
goden, die doen wat ze
liever zouden laten, niets
menselijks is hen vreemd.
Witte kraaien, ze vertellen
slechts wat ze zien, tegen
beter weten in, zwartgemaakt
worden ze sowieso, hoewel
ze schuldig zijn aan niets.
Laertes
Je hoeft niet meer
zonodig, keer op
keer, jezelf te
bewijzen.
Jouw vergezichten
zijn bedekt door
een ragfijne sluier
van ootmoed –
alleen herinneringen
houden je op de been,
wellicht ook nog een
spoor van hoop.
Vogels vliegen
af en aan in
schaduwen tegen
de wand: voer voor
dromers en gretige
profeten.
Priamos‘ Lamento
Koning ben ik van deze rijke stad,
zoals eens mijn vader Laomedon,
mijn opa Ilos, Tros daarvoor,
Erichthonios, en de stichter
Dardanos. Ik ken hier alle mensen,
de mensen kennen mij. Ik ken
de wind, de geuren van de markt,
de schepen in de haven. Vaak is
het hier warm, ik heb het meestal
koud, mijn lijf verstijft, misschien
door het verstrijken van jaren,
of als voorteken van tijd waarin
niets blijft.
Mijn kinderen, groot in getal,
zijn mooi en liefdevol. Ik koester
ze en noem ze bij hun namen:
Kassandra die mij het liefste, maar
vaak ook onbegrijpelijk is; Hektor,
de oudste, sterkste en beoogde vorst;
Polyxena, Troilos, al die anderen, ja,
zelfs Paris die ik in een herderstas
heb afgedankt - doden kon ik hem
niet - ik heb hem doodgewaand,
tot voor kort.
Langs Skamanders‘ oever luister
ik naar het ruisen van de stroom:
dreiging van oude voorspelling.
Een vloot is onderweg om Helena
terug te halen, mijn volk, mijn stad
en mij straffend voor alles wat ik
wellicht had moeten doen, maar
stijfkoppig naliet. Het lot zal ik
tarten, tegen beter weten in.
Bij de Skaïsche poort gekomen
blijf ik even staan. Hier komt
niemand door als ik dat niet wil.
As strooi ik op mijn hoofd
en ‘s avonds bij een warmend vuur,
luister ik naar zangers en hun lier.
Wat wordt er later over mij gezongen?
Opnieuw krijg ik het koud, het koudst
krijg ik het om mijn hart.
Speelbal Menelaos
Benijd door alle vrijers,
weggelopen met de
verrukkelijke Helena.
Voor even gaat het
goed, maar het is niet
altijd eenvoudig om
Menelaos te zijn. Die
verdomde dominerende
broer, die parasiet Paris,
die overspelige vrouw,
die zich voordoet als
fantoom, of schaduw
van een wolk.
Aan het einde dan
Elysische velden,
overvloed aan alles:
nektar en ambrozijn,
en eeuwige verveling.
Trojaan
Eerste zet: dame
ontvoerd, niet geheel
tegen haar wil.
Laatste zet: game over
wegens een verraderlijk
paard.
Ondertussen: een hoop
pionnen verspeeld.
De vingers van de
dageraad betasten de
verbrande resten van
een zo onneembaar
geleken veste.
Trojaanse vrouw
Ik had je tegen
kunnen komen,
om de hoek, of
op de markt, buiten
de stadsmuren van
Troje. Alleen toeval
zat ons in de weg,
en een kleinigheid
van dertig eeuwen.
Je nam al afscheid
voor ik aan kon
komen.
Vanwege tijd zijn
we gescheiden van
elkaar, je mogelijke
gezichten zijn in mijn
hoofd verankerd.
Ze veranderen voort-
durend, net als de
verhalen die ik over
je vertel.
Mogelijke gezichten
De verscheidenheid
van licht, duisternis,
beeldhouwers van jouw
gezicht, veranderend
terwijl ik er naar kijk.
Ik zie je vaak, ik ken je
uiterlijk, je silhouet,
alle contouren, maar
niet waaraan je denkt,
of hoe je je voelt.
Trojaanse vrouw, ik heb
je nooit gekend, maar dat
weerhoudt me er niet van
jouw mogelijke gezichten
te beschrijven.
Andromaches klaaglied
Hektor, elegante held,
je hebt Patroklos verslagen,
lief en wapenbroeder van
Achilles, die je dat nooit
vergeeft.
Ik, Andromache, jouw
vrouw, en ook de moeder
van een toekomstloze
zoon, weent en weeklaagt
bij het vooruitzicht van
ons fnuikend lot.
Homeros daarentegen,
de vlijtige verzamelaar
van gruwelijke verhalen,
wrijft zich, terugblikkend
op die sores, vergenoegd
de handen.
Hektor’s laatste gevecht
Daglicht is nog niet
geheel verdwenen,
op de velden voor
de poorten van mijn
verheven stad.
Het beest komt er al
aan, ik ben zijn prooi.
Het kind roept: "Papa,
papa!", en ik vervloek
mijn lot. Mensen staren
als versteend van hoge
muren, naar een gewenste
koning die dat nooit zal zijn.
De meedogenloze jager
drijft mij drie keer om de
wallen, totdat ik mij
wanhopig stel.
Als ik val, sterven ook de
hoop en laatste dromen
van hen van wie ik houd
en die ik veel te vroeg
verlaat.
Prometheus
Jij – vooruitdenker – steelt,
met gloed op je wangen, het
heilig vuur der verbeelding
van de goden, omwille van
de beschaving van mensen.
Alles heeft zijn prijs en jij
kent de jouwe. Zeus breekt
met je, en Hephaistos ketent
je aan een rots, waar een
adelaar je lever uitpikt, keer
op keer, totdat Herakles je
van dit droevig lot zal bevrijden.
Je waarschuwt nog je broer
Epimetheus, voor de verleiding
van goddelijke gaven. Deze
onverbeterlijke achterafdenker
trouwt toch de mooie Pandora,
met haar verderfelijk vat, dat zij
– Proto-Eva – niet lang kan
weerstaan, tot ellende van
de mensheid.
Glans en gloria
Nacht baarde
de broertjes
slaap en dood.
Mijn wieg is met
zijde gevoerd en
met tule omhangen.
Ik lig er bijna
bewegingsloos,
gewikkeld als een
mummie op een
vroeg doodsbed.
Wachtend of het
nog ochtend wordt.
Vijfentwintigduizend
keer ging dat al goed
en diende ik de dag,
ondertussen sparend
voor tafelzilver,
vleugels, illusies,
hofdames, en nog
meer glans en gloria.
Tegen beter weten in
en eindeloos lijkende
tijd, terwijl niks blijft,
ding noch droom, een
oogopslag, gedicht, nou
ja, een gedicht wellicht,
voor een kort moment,
tot men het wegdoet.
Ithaka vertraagd
Verder weg kan ik niet zijn.
Ik reik met tui en mast naar
onmiskenbare signalen uit
Ithaka, waar ik je achterliet.
Gevangen in het rag van
schikgodinnen. Ze tornen
- zonder enig mededogen –
aan de fragiele draden van
mijn verbleekte herkomst.
In nevelflarden en
een zachte maan, laat
ondertussen mijn lamento
zich maar moeilijk zingen.
Ik beheers de fado niet, de
blues, noch andere elegieën.
Het lonken van tedere,
gevederde Sirenen, moet ik
weerstaan om eindelijk naar
huis te zeilen.
Alkinoos
aan Odysseus
Ik heb je schip
niet kunnen vinden
op mijn stranden
waar je aanspoelde,
noch have of goed.
Jouw verleden bestaat
uitsluitend uit jezelf.
Je verhalen komen
langzaam naar boven.
Ze lijken op epische
liederen van voorbij
trekkende zangers over
liefde en oorlog, passie
en lijden, terugkerend
verraad. Ik breng je
naar huis, vagebond.
Penelope's overwegingen
Rusteloze zwerver,
ik zie nauwelijks verschil
tussen mijn donkere dromen
en die van ivoor.
Wat wil je me vertellen
tijdens deze lange nacht,
worstelend met herinneringen,
proberend je verleden te
herschikken om een obscure
toekomst aan te kunnen?
Kun je jezelf bevrijden van
wat je achtervolgt, of blijft
het de eeuwige last, die je
nooit zult verliezen? En wat
zal ons vooruitzicht zijn,
als er zoiets is?
Anodos - Kathodos
Na maandenlange
karigheid opent aarde
zich, schuchter en pril,
wegbereidend voor het
goddelijke opreizen.
Maar, cyclisch noodlot,
van dat wat begint, is
het einde al vooruitgezegd,
traag transformeert de
nieuwe lente zich in
lome overdaad.
Verborgen voor
decadente zonnegloed,
wacht herfst ondertussen,
met nukkige schelmen-
streken, op het zomerse
vertrek dat gereed wordt
gemaakt om uitgeleefd
te worden.
Gure wind en ruige regen
bestemmen nu de dagen,
totdat het winter weer
behaagt, om af te dalen
- zoals Persephone, dochter
van Demeter: schatplichtig
aan Hades – alle jaren weer.
Geluid
Wat is het geluid
dat ganzen maken?
Aandachttrekkerij,
brutaliteit, of juist
zoete tederheid?
Ik ben geen Tiresias,
vogels versta ik niet,
maar ik herken de
taligheid in het geluid
dat ganzen maken,
op een nevelige
ochtend in de vroege
herfst, waar ze zijn
neergestreken op
een grauw meer,
voor even dan.
Kalchas:
gesjeesde profeet
Veel heb ik niet
begrepen, of wilde
ik misschien niet zien,
van wat er is of komen
gaat. Ik ken de taal niet
van verloren sporen, en
vaak zie ik pas naderhand,
verbleekte tekens aan
de wand.
Draadloos ben ik
verbonden met valse
noten op mijn zang.
Het wachtwoord me ooit
toegezonden, is voor mijn
geheugen veel te lang.
Bevend zittend op het
sleetse tijk van een
rollende stoel, rijd ik
naar een onafwendbaar
doel: een afgrond, die ik
vooruitziende bereik,
lachend tot ik stik.
Tijd laat ik vallen als
nutteloos instrument,
omarm chaos, doe
afstand van duur,
herhalen bestaat niet.
Ik herken een glimp
van het goddeloze zijn.
Vertrouw ze niet
We konden het
weten, Homeros
heeft het ons
verteld, zo duidelijk
dat wie het wil
ontkennen, wel
blind moet zijn,
als de cycloop,
wiens oog
Odysseus heeft
doorboord: wreed,
maar uit noodzaak
natuurlijk.
Goden: schalken
zijn het, niets
menselijks is ze
vreemd. Vertrouw
ze niet, niets goeds
hebben ze in zin.
Iphigenia's dilemma
Een belogen maagd
ben ik, Achilles slechts
een smoes, de man die
op mij wacht: mijn eigen
vader. Het beloofde
bruidsbed is een stenen
baar. Een offer ben ik
om te zoenen, haast nog
een kind, maar blijkbaar
goed genoeg voor flink
wat wind. De vloot moet
reilen, de schepen zeilen.
Troje wacht.
De getergde godin gaat
overstag, maar vindt mijn
vroege dood geen goed
idee. Ze ruilt mij om met
een jong ree. Dit is geen
plaats voor oponthouden:
wegwezen en niet grienen.
Kiss and ride, laat Aulis
achter je om mij te dienen.
Tien jaren zijn sindsdien
verstreken, maar niemand
ging het uit het hoofd. Mijn
moeder doodde toen mijn
vader aan het einde van zijn
reis, mijn broeder daarop
onze moeder: een waarlijk
hoge prijs. Ik, stuk ongeluk,
veroordeelde ondertussen
– onder zware goddelijke
druk – alle ongevraagden
die zich in Artemis' tempel
waagden. Als priesteres
vond ik dat redelijk ook,
tot daar mijn eigen broer
opdook.
Dilemma, maar daadkrachtig
door mij aangepakt: ‘Kiss and
ride’. Dit is voor ontheemden
geen goede plaats onder de
zon. Wegwezen dus, niet
wenen, terug naar het land
Mykene, waar alles ooit
begon.
Eindigheid
Voor wie eindigheid
te eindig is, wie hoopt op
meer dan op vergankelijkheid,
die zal zich tot goden wenden,
die schijnbaar heersen over
eeuwigheid. Nooit heeft iemand
zich beklaagd over onvervulde
dromen, uit het hiernamaals
is nog niemand teruggekomen.
Het is, menen we, het geld
wel waard geweest, de armoe
door ascetisch leven, de offers
aan de priesters en profeten,
en het verraad aan alles wat
we eigenlijk beter weten.
Terwijl we devoot het loflied
zingen op dat wat niet bestaat,
blijven wij vaak ziende blind
voor de goddelijken die ons
dagelijks omringen, voor dat
waar het uiteindelijk om gaat.
Requiem
Het was een god
die de eerste mensen
uit zijn paradijs verdreef,
omdat ze nieuwsgierig
waren geworden naar
elkaar en de natuur
die hen omringde.
Het was een god
die op grond van
dubieuze overwegingen
een vunzig vat schonk
aan Pandora, daarmee
de mensen leed en lijden
bracht, dat niet nodig
was geweest.
Het was een god
die de aarde overspoelde,
met een verwoestende
zondvloed waarin ieder is
verdronken, op twee na
en een bootjevol met dieren,
uit onbarmhartigheid,
jaloersheid, of gewoon
onaardigheid.
Doodzonden begaan ze,
die goden in hun
godvergeten
wereld.
Penaten
Het is genoeg
geweest, ik zoek
mijn penaten op.
Er is geen nu en
dan, hooguit een
handvol verlangen,
weemoed, nostalgie,
en meer van dat
soort sentimentele
dingen.
Uitgenodigd heb ik
niemand, maar allen
komen ze voorbij, we
wisselen vluchtige
gedachten.
Kunstenaarsgedichten
Dertig gedichten over kunstenaars die leefden en werkten vanaf 1900 tot heden. Het is een persoonlijke selectie. Bij elke kunstenaar schreef ik een gedicht en maakte een portrtettekening.
Deze gedichten zijn gebundeld en in 2024 uitgegeven bij uitgeverij Blurb.de onder de titel "Dichter bij kunstenaars"
De door mij geschilderde en getekende portretten staan op deze website onder "Painting (d) Portraits
Georges Braque
Om je heen
Je hebt, mijn lief,
veel om je heen:
gedachten vliegen
in en uit, woorden
ook. Je bewaart
wat je vindt, als
herinnering, of
als een bruikbaar
voorteken. Zoveel
heb je om je heen,
van alle kanten, als
in een stilleven van
Braque.
Max Beckmann
Drieluik
Vertrek
Weggaan om ergens aan
te komen, uit onbehagen
of verlangen, ook tegen
wil en dank.
Transitie
Niet meer hier, nog niet daar.
Tussenruimtes: hotels, schepen,
treinen, auto‘s, stations, zoekend
naar Sirenen om ze te kunnen
weerstaan, onderwijl: motieven
op ansichtkaarten verzamelend.
Aankomst
Rusteloze Odysseus, vervreemde
passagier van de moderniteit,
is aankomst jouw doel, of leg je
aan om een nieuw vertrek voor
te bereiden?
George Hendrik Breitner
Japonisme
Breitner, fotograaf
en schilder, kocht
een kamerscherm,
en drie kimono’s met
elk een andere kleur:
rood – wit – blauw.
Zo Hollands als die
kleuren, is ook zijn
kimonomeisje:
Geesje Kwak, loom
liggend op een met
oriëntaalse tapijten
bedekte sofa.
Dertien schilderijen:
op de kimono’s en
het kamerscherm
vliegen de vogels af
en aan, en er staan
bloemen op die je
graag zou willen
plukken, voor een
vaas, of een geliefde.
Paul Cezanne
Veelbetekenend
Montagne Sainte Victoire,
zo vaak geschilderd, buiten,
of aan de hand van een
eerder doek, zoals bij mevrouw
Cezanne in een rode jurk, naar
een schilderij van mevrouw
Cezanne in een rode jurk.
Impressies van impressies.
Cezanne schildert soms naar
foto’s, zoals later Beckmann
en Breitner doen, of gewoon
er overheen, als Richter,
bijvoorbeeld.
Een beeld is een ding in de
wereld. Aanraakbaar is het,
als het geen gedachte is.
Picasso kocht de Montagne,
nee, niet het schilderij, maar
de berg. Dichter bij de schilder,
nog dichterbij, gaat haast niet.
Schilders, merkwaardige wezens
zijn het, hun onderwerpen nog
vreemder vaak. Cezanne schildert
de poot van een lam, een afgehakte
poot dus, en een gestoord gezelschap
bij een picknick op het gras, een
moordenaar in actie, doodshoofden,
naast leuke landschappen en fraaie
portretten. Wel een rare jongen, die
Cezanne, iconografisch in elk geval,
door het leven getekend natuurlijk,
dat ook, voor alles evenwel:
veelbetekenend.
Laura Eckert
Non-Finito
Lagen hout van oude
balken, planken, op en
naast elkaar gelegd,
gelijmd, gespijkerd,
anderszins verbonden,
gevonden grondstof
voor verbeelde koppen.
Ze groeien, of trekken
zich terug, willekeurig
naar het schijnt, maar
zo is het niet. Het is
overwogen toevoegen,
of bewust weglaten,
verbeelding houwen
uit resten. Het is nieuwe
werkelijkheid, nog niet af,
naar het schijnt, maar zo
is het niet. Wat niet is,
is zeer aanwezig.
James Ensor
Bloemenhoed
Schilder met je bloemenhoed,
maskers maak je en skeletten,
doodshoofden met grimassen.
Veel stillevens, vaak ook drukte-
makers, bloemen in een vaas
en op je hoed.
Christus uit de tijd gevallen,
haalde jij naar Brussel, voor
karneval en een processie,
op die ezel zat je zelf, als
hoeder van de dieren, als
schilder zonder bloemenhoed.
Opgegroeid tussen schelpen
en waaiers, rozen, papegaaien,
een pissende aap, chinoiserie
en een verkleedzuchtige oma,
bijna buiten de wereld, maar
nooit verder weg dan het
Vlaamse Oostende, waar je
kitsch verkocht en de satire
cultiveerde in woord en in
daad. Jij, schilder met je
bloemenhoed: niets komt
vanzelf.
Leo Gestel
Vormverschuivingen
Het stilleven roert
zich, binnen en buiten
de randen, een vlucht
kleuren: rozen of vis.
Oogstrelend uitdagend,
net als landschappen,
waar kleur duelleert met
beweging, waar vormen
verschuiven, ieder nieuw
ogenblik, Orpheus dienend,
of tartend.
Alberto Giacometti
Wat overblijft
Een urenlang
bewegingsloos
model ontvliedt
de vertwijfelde
beeldhouwer
keer op keer.
Vandaar wellicht
die zware voeten:
Blijf hier!
Gebleven zijn er
enigen: een vrouw
op een wagen, of
bronzen platen met
koppen en gestrekte
figuren. Op zware
sokkels staan kleine
hoofden, het lijken
draagbare altaren
voor gekoesterde
huisgoden, penaten.
Tussen zijn en niets
is wat er rest na
lange strijd.
Erich Hartmann
Grenzeloos
Hoe iets er uitziet:
meer opvatting dan
waarneming, beleving
vooral. Landschappen,
figuren, stillevens, als
decorstukken: vlakken
liggend tegen vlakken,
vooral geen effecten.
Gebroken ruimte als
speelveld - de schilder:
ruimhartig. Verbeelding
gaat het kader voorbij.
Plots en onverwacht,
kan er zomaar iemand
binnenlopen, of gewoon
voorbij gaan.
Rebecca Horn
Kinetische totems
Eigenzinnige machines:
krassen – aaien – schieten –
slaan – zagen – snijden –
dromen – dansen,
nerveus, breekbaar,
in een genadeloos ritme.
Concert voor anarchie,
het zuchten van de stad,
het roepen van pauwen:
angst – vertwijfeling –
tederheid – begeren –
bizarre vervreemding.
Kinetische totems, in
veren gevangen, zo
kwetsbaar als het ei
van een struisvogel,
door bliksem bedreigd,
en vreemd als een
eenhoorn.
Horst Janssen
Portretten
als landschappen
Verslingerd aan
knotwilg en weide,
Eiderland en wad,
moerasland langs
de Elbe, de lage
en de hoge luchten,
vergezichten.
Landschappen als
portretten, portretten
als landschappen,
kadasters van verbeelding,
om in te dwalen en te
vergeten.
Ongenaakbare
tekenaar met trillende
handen, zuur etst ogen
en longen. Ik ken je niet,
ik heb je nooit gezien.
Ik ken je goed, ik heb
zoveel van je gezien.
Paul Klee
Slecht geschilderd
Een goudvis met zeven
visjes er omheen, van
Paul Klee, zag ik voor
het eerst in het Haags
Gemeente Museum,
dat heet nu anders.
Ik was nog jong. Slecht
geschilderd, dacht ik,
zo anders als op het
fotootje in mijn boek
over kunst.
Veel later zag ik het
opnieuw, in Hamburg.
Zo mooi gedaan, dacht
ik, in vorm en kleur.
Misschien was ik bij het
eerste zien te vroeg nog
bij mijn jeugd, verwachtings-
vol naar veronderstelde,
maar onbereikbare kwaliteit
van kunstenaarschap, en was
ik later van die jeugd wellicht
te ver verwijderd, jaloers op
Klee, die er wat van bewaarde.
Oskar Kokoschka
Indringend
Reeksen zelfportretten,
geschilderde observaties,
indringende, systematische
bevragingen van het eigen
gelaat, herinneringen ook:
de anamnese van een
kunstenaarsbestaan.
Door zijn trekken aan te
schouwen in werken die hij
achterliet, leer ik misschien
zijn streven kennen, om dat
te schilderen wat men bij een
eerste blik niet ziet.
Wilhelm Lehmbruck
Licht streelt vorm
Vrouwen vaak:
geheel; als tors;
portret; of buste.
Lange hals, hoofd
beetje schuin,
langgerekt.
Houdingen:
badend, staand,
knielend, zittend,
hurkend, denkend,
treurend, vallend,
schrijdend.
Verbeelding:
licht streelt vorm,
en omgekeerd.
Marino Marini
Ruiterstandbeelden
Aanmatigend om op de rug
van een paard te willen zitten.
Trots dier met fragiele benen.
De sierlijke lijn wordt verstoord
door de contravorm van een
ruiter, gewichtleggend op de
brug, de meest ongeëigende
plek.
Ik houd erg van het werk
van Marino Marini, vooral van
zijn ruiters. Even onbedoeld
als onmiskenbaar laat hij zien
hoe misplaatst een mens op
een paardenrug zit. Bij het
lompe af. Lang gaat het ook
niet goed. Zijn laatste paarden
werpen de ruiters af, tenminste,
ze doen er hun best voor.
Het mag een „Miracolo“ heten
dat die ruiters zich nog zo lang
kunnen vastklampen aan het
tegenstrevend paard.
Henri Matisse
Dansen met Matisse
Matisse was een keurige schilder,
maar het kostte wel moeite om
hem te begrijpen: „Bij de wilde
beesten af!“, vond men, “Een
knoeipot en een charlatan!”
Matisse danst met de kleuren,
een rondedans, een Farandole,
dansers zoeken elkaars handen,
de vaart slingert hen bijna buiten
de randen van het doek, het oogt
sacraal, soms ook frivool.
Een sombere schilder staart uren
naar „Het rode atelier“, er is geen
perspectief, wel heel veel ruimte.
Dan schildert hij op een geel veld
een kleiner geel veld, een oranje
streep en een blauw veld op groen.
Alles beeft en trilt: Rothko danst
met Matisse. Hij noemt het een
hommage en dat is het ook.
Paula Modersohn-Becker
Onbegonnen
Worpswede – Parijs,
vice – versa, steeds
markanter wordende
portretten, maskers
bijna, met een ruwe,
poreuze huid, krassen
in de verf, krassen op
je ziel.
Om de verwachting van
een kind terug naar
waar je niet meer thuis
was, om daar dan dood
te gaan. Met jou sterft de
belofte van nog zoveel
onbegonnen werk, de
hoop ook op waardering
voor alles wat je heilig is,
krassen op je ziel.
Als er na de dood nog
leven is, dan is het in wat
je achterliet: opgedoekt,
de tijd vooruit, inmiddels
fel begeerd.
Amedeo Modigliani
Voor de eeuwigheid
Laatste bohemien,
maar tegen wil en
dank, je passie hield
je op de been, slechts
in het in steen gehouwen
werk vond je behagen,
tot het lichaam dat kruis
niet meer kon dragen.
Portretten dus, in plaats
van Kariatiden, de tempel
die jij voor je beelden wilde
bouwen, heb je uiteindelijk
gebouwd, op doeken, maar
met zo’n talent, dat iedereen
jou en je werk bewondert,
het tot in eeuwigheid herkent.
Giorgio Morandi
Stilleven
Vazen, potjes,
flessen, glazen,
kannen, kruiken,
stoffig, kwetsbaar,
naast en door elkaar,
zoekend naar stil licht,
leven, wankel evenwicht,
afgeschermd, aangevallen,
gereduceerd, opgewaardeerd,
wat blijft: een onrustige stilte,
breekbaar, aanraakbaar,
schijnbare eenvoud:
vervreemding.
Gabriele Münter
Ontrafelen
Steeds die terugkeer
naar portretten, van
jezelf, van anderen,
alleen, of in een groep.
Een haast sacrale daad,
de ontrafeling van een
gezicht, tot op het bot
van zijn karakter.
Zoveel moet je kunnen
zien, nog zoveel meer
moet je begrijpen, om een
beeld te scheppen uit wat
je van dichtbij voor ogen
staat, maar dat ook zoveel
verder is, dan je werkelijk
voor mogelijk houdt.
Charlotte van Pallandt
Koppen: notities
Onderzoek, van binnen uit,
constructie, staaf op een
houten blok, gipsen plaatjes
voor contouren, beeld op
zich, dan plakken, repen,
klonten klei, was, gips:
buitengelaat.
Notitie (Van P.): Ik wil
met zo min mogelijk middelen
zo veel mogelijk uitdrukken.
Essentie van de vorm,
Termote’s kop een bol,
met haakneus, dat weer wel,
en wakkere ogen.
Notitie (Van P.): Telkens
controleren of ik door het
afwerken niet ‘t geheel bederf.
Carasso’s kop niet af, maar
zo gelaten toen hij stierf.
Onsterfelijk beeld, alleen
zo‘n kop rechtvaardigt heel
een beeldhouwersbestaan.
Notitie (Van P.): Controleren
of oren precies op zijn plaats
zijn.
Plaats: een relatief begrip.
In Van Pallandt’s koppen zit
niets op zijn, maar alles op
haar plaats.
Pablo Picasso
Waarom niet?
In al die jaren nooit
zo oud geweest als je
geworden bent, steeds
vragend, niet naar het
verklarende waarom,
maar naar wat uitdaagt:
waarom niet?
Geen zoeken, vinden is
het, vaak per ongeluk.
Nooit is iets af, wat af is
heeft zijn toekomst
verloren.
Gerhard Richter
Mirakel
Abstracten
door toeval
gestuurd;
verf druipend,
richting door
zwaarte bepaald
- lijkt het – want
het is anders.
De rakel,
miraculeuze
toverstaf, trekt
sporen: links -
rechts – boven -
onder - dwars.
Rite van
de schilder.
Terug gaat
niet, wel:
opnieuw -
ontsporend -
herhalend –
toeval
terechtwijzend.
Jan Roeland
Hoog genoeg
Roeland maakt
de wereld plat,
met verf, rollertjes
en penselen, Nou
ja, de wereld, dat
is wellicht wat veel
gezegd. Het gaat
om een envelop,
al plat op zich, een
doos, een tafel, of
een snavel.
Roeland maakt de
wereld plat. Niet wild
of woest, uit wrevel
of boosaardigheid.
Welnee, met veel
geduld, en heel veel
lagen verf, vormen
secuur afgeplakt
voor rechte randen
bij een hamer, een
boeket, een eend of
ooievaar, bij allegaar,
plat is voor Roeland
hoog genoeg.
Medardo Rosso
Ecce homo
Was, geel als
honing, amber,
zwarte sporen,
licht heeft vrij
spel en buit
dat gretig uit.
Vingers vormen
terughoudend -
wat je wilt zien,
zie je niet, zonder
verbeelding.
Zo moet ook
god hebben
gebeeldhouwd,
of Prometheus,
toen ze nog niet
zo zeker waren,
hoe de eerste
mens eruit zou
kunnen zien.
Mark Rothko
Velden
Rothko: licht in
verf, vertaalde
mythen, verheven,
ook verheffend,
transformerend
en onthechtend,
leviterend soms.
Ik meen Rothko’s
gezien te hebben,
voor ik ze zag,
ik meen, trillende
velden, gestapelde
kleuren, uit het raam
van een snelle trein
bijvoorbeeld, ogen
half gesloten, of in
een flits, vlak voor
het ontwaken, een
merkwaardig licht,
zinderend.
Ik meen
als het vriest in mij,
de kleuren worden
koeler, afstandelijk.
Ik meen Rothko’s
gezien te hebben,
voor ik ze zag.
Egon Schiele
Terugkijkend
Zo betekenend
het niet-getekende,
zo trefzeker
het terughoudende,
godvergetende
paradijselijke
verzoekingen.
Wat ik zie,
kijkt terug,
onverholen.
Eja Siepman van den Berg
Zichzelf genoeg
Torso:
meestal staand
meisje, geen hoofd,
aanzet van armen,
schouders eigenlijk,
benen, afgesneden
tot op de dijen.
Hoe licht steen zijn
kan, glanzend gips,
brons, op weg naar
onaantastbaarheid,
Af is: de tors
verwijderd van de
maakster, als niets
meer toe te voegen
valt, of weg te laten:
zichzelf genoeg.
Gestileerde
Kore, Grieken
nooit ver weg,
tegelijk - tijd
wijd vooruit -
essentie
verbeeldend.
Jan Sluijters
Lumineus
Neerslag
van voorbijgaand
leven: kleurrijk
landschap; bont
stilleven; groen-
ogige vrouwen,
alles wervelt en
danst.
Zoeken naar
het allerhoogste,
terug steeds naar
een nieuw begin.
Niets uitsluitend,
lichtzinnig aan het
zichtbare voorbij:
anamorfose.
Charley Toorop
Charley
Ogen wijd open,
de blik een signaal,
is wat je ziet, alles
wat is, of alleen wat
zich openbaart?
Onvermijdelijke
ogenblikken, als
Fajoemportretten,
indringend, goden
verzoekend: vergeet
mij niet.
Ik ben Charley,
geboren in Katwijk,
gestorven in Bergen,
daartussen: schilderen,
met de ogen wijd open.
Eindejaarsgedichten
Sneeuw van gisteren
December is het,
bijna weer een jaar voorbij.
Het uitzicht nevelig, vertekend.
In de rook van een schoorsteen
dansen twee bleke engelen
een „Valse de l’Adieu“.
De vogels waren al vertrokken.
Herinneringen zijn nog daar,
fragmenten van voorbije dingen,
op en naast elkaar gelegd.
Gekoesterde en vermaledijde
herinneringen, voor even vastgelegd
met tekens van gedachte of
gedroomde taal, woordloos,
als geschilderde sporen.
Nog een keer omkijken om
in staat te zijn vooruit te zien,
zonder nu al echt te willen weten
dat morgen – overmorgen –
alweer sneeuw van gisteren is.
En uit het oosten
En uit het oosten
komt het licht,
de rode daken
worden flets beschenen,
plaveisel wordt iets
minder hard.
Couleur locale,
een grijze lucht.
Zou het nog
sneeuwen gaan
vandaag?
Nee, uit het oosten
komt het licht.
Winter in Twente
Het winters land is vlekkerig
van schaduwen en schijn.
De maan houdt nevelig nog
flarden vleugels vast van
transparante broze feeën,
verstrikt geraakt in lage struiken
en in kale bomen. Een enkele
ster staat stil boven het lager
en het hoger land, de houtwallen
en de onregelmatigheid van
verglaasde akkers op de
Twentse Es.
Aan boerenhuizen wijzen
vergrijsde geveltekens aan
einden van windveren naar
het oude en het jonge jaar.
Net als de koperen kruizen
op spitsen van kerktorens
reiken ze als antennes naar
de boven- en tussenwereld
van dit etherisch sagenland,
verlangend naar onmiskenbare
signalen uit het onverstaanbare.
Zo oud, zo nieuw
Het is weer najaar en
de hoge luchten zijn ernstig.
Ook al speelt het ingetogen
daglicht een traag, maar toch
vertederend spel van schaduw
en bleke accenten.
De bevroren schermen
van verweerde Hortensia’s
zijn vaalgeel, breekbaar bruin,
of een toevallig samengaan
van gevoelige witten en
groezelige grijzen.
Aarde, lichtbepoederd
met verse sneeuw, waarin
met vogelsporen een oertaal
van vreemde tekens
neergeschreven is.
In de wintertuin is er
geen verschil tussen
vandaag en morgen.
Alles is zo oud, zo nieuw:
in de kale staketsels
van struiken en bomen
de belofte van knoppen,
stevig verpakt nog,
maar onmiskenbaar
aanwezig.
Jaar uit, jaar in
En op de drempel
staan we even stil,
aarzelend, herinneringen
wegend, teder licht en
droevig zwaar: kostbare
stof, waaruit we toekomst
maken.
Maar niet te lang verwijld,
anders zijn je dromen wellicht
al niet meer in te halen.
Ogenblik
Het oude jaar gaat statig uit
in de bedaagde binnenstad.
Alweer? Het lijkt toch nog
zo kort terug, dat we hier
liepen op een winteravond
en in het rimpelende water
de grachtenhuizen liggen zagen,
de kale bomen, zo af en toe
een opgestoken straatlantaarn.
Vertekende spiegeling met lichte
accenten, door schaarse schijn uit
vensters en een verglaasde maan.
Hier waren we jong en roekeloos
en hebben we de tijd verspeeld,
die ons nu elders veel te snel,
onhoudbaar door de vingers glijdt.
Gloedvol tegenlicht
"Amersfoort"
December is het opnieuw
en alweer de laatste dag
van deze waterkoude maand,
met bedeesde, terughoudende
ijle kleuren.
Een zweem van glazig blauw,
een veeg van duivengrauw,
verwelkte witten, verwaaide
zwarten, tegen de vroege
avondlucht, en als het
– vorstelijke vergissing –
dit keer ook niet sneeuwt
maar pijpenstelen regent,
dan zie je in het schijnsel van
ouderwetse straatlantaarns
een oplichtend plaveisel van
kletsnat klatergoud.
Zoveel hoeft daar niet gezegd,
maar ongezegd betekent niet
dat het ook vanzelfsprekend is.
Beloken binnenstad, tussen jouw
muren beleven wij de mooiste
schemeruren. Morgen in de vroegte
is alles schijnbaar nog hetzelfde,
toch onmiskenbaar tegelijk, in een
ander gloedvol tegenlicht.
Decemberlied
De behoedzaamheid
van sneeuw, het valt,
maar niet vanzelfsprekend,
eerder besluiteloos, of
terughoudend, als witte
vlokkige deeltjesvertragers
voor een nieuw stilleven,
fragiel en van beperkte tijd.
Het uitzicht is wazig,
het inzicht nog open,
in de veelheid van
antwoorden zijn er
vragen verloren
geraakt.
Opnieuw is het december,
binnen zingen breekbare
bontglazen vogels onhoorbaar
uitbundig een nostalgisch
lied - voor wie het horen wil
of kan - over verwondering,
verbinding, verlangen.
Buiten warrelt sneeuw op,
trage vleugelslagen. Een duif
wellicht, een kauw, of kraai?
Wat kan het anders zijn in
deze late maand? Hoewel:
aan lage struiken hangen
pas gesponnen nevelflarden
van maanwit engelenhaar en
uit de wangen van de wind
blaast zacht maar onmisken-
baar diezelfde melodie van
dat oude decemberlied.
Palimpsest
Het jaar bijna
volgeschreven,
oud perkament,
dat erop wacht
om afgekrabd
te worden voor
een nieuw begin,
op resten van
inkt, krassen,
een enkele scheur,
als op ijs,
geschraapt onder
slijpende voeten
van schaatsers,
willekeurige
tekens schrijvend
in een nog niet
begrepen taal,
of als op foto's
in de gelaagdheid
van dubbel licht,
waar herinnering
zich mengt met
vooruitzicht en
waar dat wat er
was, de weg
bereidt voor wat
nog worden moet,
maar anders.
Perspectief
Decemberland, verpakt
in nevelflarden, een glimp
namiddaglicht, duivengrijs
gekleurd, veel diepte ook,
zoals een schilder dat zou
doen, met atmosferisch
perspectief, coulissen, of
verdwijnpunten voor
imaginaire lijnen, alles kleiner
makend op weg naar een
onzekere horizon.
Er vliegt een raaf voorbij,
boodschapper van verloren
goden: hun tekens worden
niet meer gehoord, laat staan
begrepen. In het verschiet
is veel om vast te willen
houden, maar ook om los
te moeten laten, afwegend,
zoals een fotograaf dat zou
doen, zoekend naar licht op
fragiele fragmenten. Morgen
is er een nieuwe dag, met
verse sneeuw wellicht.
Vroege vogels zullen
die als eerste beschrijven,
of jij en ik.
Toverwoorden
We wensen je
een nieuwe taal
voor een nog komend
jaar, voor wat niet
eerder werd gezegd,
of ongehoord gebleven
is, voor wie nog wikt en
weegt over die woorden
waarmee je zinvol kunt
verbinden, wat niet
overbrugbaar lijkt.
Een nieuwe taal,
met woorden die je zelf
bedenkt, in tekens die er
nog niet eerder waren,
maar die voor ieder die ze
hoort of ziet, onmiddellijk
begrijpbaar zijn.
Een taal met woorden die
je proeven kunt, die ziltig
zijn of zoet, gesponnen,
zacht gezongen, niet eerder
uitgevonden, of die nog
nooit tevoren, zo mooi en
helder uitgesproken zijn.
Nieuwe woorden voor een
teruggevonden oud geluk,
voor wat je ooit eens weg
deed, onbezonnen, en dan
zo node hebt gemist. Een
taal met veel verbindings-
tekens, met toverwoorden
ook, zoals: verwondering,
verbeelding, of bemoediging.
En dat je daarmee zacht,
of hardop spreken kunt,
met wie je lief is, of dat
ooit eens worden zal
misschien.
Non finito
Het is al donker
voor de avond valt,
de stad hult zich in
grijs gewaad, velden
verglaasd, en wazig
is het winterwoud.
Hier en daar wellicht
een paar accenten,
een vogel tegen hoge
lucht. Geen lied is er
te horen, niets zingt
vanzelf.
Er is veel dat je
liever vergeet, maar
ook dat wat je nooit
meer kwijt wilt raken,
zoals verdrongen,
of juist dierbaar
gekoesterde
herinneringen.
Ze volgen je en
veranderen ook
op den duur.
Wat af is heeft
zijn toekomst
verloren.
Behoedzaam 2024
De boom is ouder dan
wij zullen zijn, kent tijd
en mensen die wij nimmer
zagen, windstiltes, regen,
donderslagen, vogelnesten
zonnestralen, losgeslagen
vliegers, en gekerfde namen.
Het blad is jonger dan wij
zijn, maar in de herfst al
zo doorleefd, dat het traag
dansend afscheid heeft
genomen en niet meer
weten zal wat nog gaat
komen, zoals: de geur
van gras na regen, een
spelend kind, een gitarist
misschien, of jij en ik.
Nu, hier in het winterbos,
is alles stil, nou ja bijna,
er vliegt een kraai voorbij
met trage vleugelslag.
Ooit waren kraaien wit
en boodschappers van
goden, tot een van hen
de boodschap niet beviel,
hij heeft ze zwart gemaakt.
Onsterfelijke goden zijn
inmiddels uitgestorven,
het landschap verschiet
op eigen kracht van kleur:
loodwit in het middaglicht,
rood soms op een vroege
avond. En morgenochtend?
Wit wellicht.
Behoedzaam gaan we door
de sneeuw, waar we een
pad vermoeden, oppassend
dat we niets verstoren, wat
nog zo pril en breekbaar is,
in knoppen nog en ongeboren.
Gelukkig 2025
Kleine dingen zijn
mij lief: huismussen,
buiten tsjilpend in
december, of bosrank
met een donzig
winterkleed. De kleine
dingen zijn mij lief:
een nieuw boek, nog
ongelezen, maar zo
veelbelovend als een
zonnestraal, op een
nauwelijks ontwaakte
dag.
Kleine dingen zijn
mij lief, ze lijken heel
normaal, ze dringen
zich niet op met prots
en praal. Ik koester dat,
wat zich niet steeds
bewijzen moet. Kleine
dingen zijn mij lief.
Grootschaligheid,
nastrevenswaardig is
het niet, want er gaat
veel door stuk. Kleine
dingen zijn mij lief, maar
in een tijd als deze, hoop
ik toch steeds vaker op
globalisering van geluk.
Tussentijd (2025 - 2026)
Het jaar nadert zijn afscheid,
daarmee wat we gekoesterd
hebben, en wat we verdragen
moesten. Nog onbeantwoord
vele vragen, lief en leed wordt
meegedragen, als onvoltooid
verleden tijd, tot een nieuw
perspectief bereid.
Vroeger dacht ik vaak aan later,
nu later denk ik veel aan toen:
wat ik het liefste wil vergeten,
of graag nog eens zou overdoen.
Winters die ik mij herinner, je ziet
ze zelden meer, vensters die
nog bloemen dragen, sneeuw
van gisteren: voorbije dagen.
Elk jaar dat wordt geboren,
gaat tenslotte ook verloren,
maar is daardoor niet zonder
zin. Het gaat bij jaren als bij
mensen: niet slechts het einde
telt, of het beloftenvol begin.
Uiteindelijk gaat het toch
vooral, om die bewogen tijd -
er tussen in.
Wat na is maar zover
Dertig geannoteerde sonnetten
Een reeks van dertig sonnetten. Hoewel het om opzichzelfstaande gedichten gaat zijn er wel verbindende thema's. De gedichten gaan over herinnering, verwondering, twijfel, eindigheid, transformatie en over andere tijden. De titel van de bundel komt van een van de gedichten waarin het gaat om de spanning tussen wat heel dichtbij is maar toch zeer ver weg kan zijn. Refererend aan een ander sonnet is de reeks ook een soort drijfschaal. Overwegingen, gedachten, gevoelens, geknakt, nog pril en fris, of in de knop gebroken, komen in een ensemble tesamen.
Ik heb in deze bundel gekozen voor de vorm van het sonnet. Het sonnet is een veertienregelig metrisch gedicht. Het bestaat uit twee kwatrijnen, samen het octaaf, en twee terzetten, samen een sextet. Na het octaaf volgt meestal een inhoudelijke wending, maar niet altijd. Het rijmschema van het octaaf is vaak omarmend. Bij mijn sonnetten wordt er met deze regels soms speels omgegaan. De dichtvorm voert, naast de aantrekkelijkheid van de gebonden structuur, ook tot beperking. Na veertien regels is het voorbij en ook het rijmschema legt de dichter aan banden. In een poging om daar enigermate aan te kunnen ontsnappen heb ik mij een "vluchtroute" of "zijwegen" toegestaan. Bij elk sonnet voeg ik een korte toelichting toe. De bedoeling is dat de toegevoegde aanvullende informatie de intentie van het gedicht voor de lezer verduidelijkt. Ik spreek in dit verband van geannoteerde sonnetten.
Voornaamwoord
Als het stille water in de grachten,
dat stijgt voor een gesloten sluis,
stijgt op in mijn gedachten,
een woord, te klein voor deze kluis.
Het groeit en dan, 't was te verwachten,
ontsnapt dat woord met veel gebruis,
streelt mijn lippen, droog van smachten,
en danst, verheugd over het nieuwe huis.
Ik hoor het zingen in alle dingen:
de torenklok, het lachen van een kind.
En alles klinkt van nu af aan voornaam.
Vijf letters, mooi en vol herinneringen,
dat woord waar alles mee begint,
Beate, wat in mij leeft, leeft in jouw naam.
Geknakte bloemen
De markt aan het einde van de dag,
bloemenresten liggen op grote hopen,
geknakte stengels, niet meer om te kopen,
verloren schoonheid, ja, een hard gelag.
Anemonen, violen, rozen, naar de knoppen,
een bij elkaar geveegde en ontheemde horde,
wachtend om straks afgevoerd te worden
door een bezemploeg, niet meer te stoppen.
Bloemen, iedere dag een nieuw verhaal,
maar met elke dag mindert ook levenskracht.
Bloeien is: steeds een stapje dichter bij de dood.
Ik verzamel verloren resten voor een drijfschaal,
een bonte mengelmoes van gewonde pracht,
voor een gerekt bestaan, uit het voorgeborchte
van de goot.
Melancholisch
Alles ligt nog in het verschiet,
lang heb ik er naar uitgekeken,
een nieuw en onontdekt gebied
dat al het andere doet verbleken.
Dat wat er nog komen gaat,
lijkt vaak zoveel begeerlijker,
dan wat je achteloos achterlaat,
het onbekende: heerlijker.
Wat dan uiteindelijk is gekomen,
waar toch al zolang op gewacht is,
bleke herinnering, nu alweer voorbij.
Er dwalen nog sporen in mijn dromen,
ze markeren wat ik wens en zo zeer mis,
weemoedigheid ontwaakt in mij.
Elegie
Nooit was de oude zo dicht in de buurt
van het oord dat hij moet gaan betreden,
dat zich nog niet ontsluit aan hem, die tuurt
en ronddwaalt in geleefd verleden.
Hoeveel verloren woorden heeft hij nodig
voor het zingen over verlangen en gemis,
alles schijnt zinloos, veel lijkt overbodig.
Wat blijft van wat er nu nog is?
Porrend in as van een dovend vuur,
hopend op wat laatste vonken,
zoekt hij naar licht in dit zo duister uur.
Niets wordt hem meer geschonken,
hij ruilt datgene wat hij achterlaat,
voor iets dat waarschijnlijk niet bestaat.
Karig
Meer ongeordende gedachten
dan betekenisgeladen zin,
geen overvloed is te verwachten,
tussen einde en begin.
Niet wentelend in weemoed,
noch onbesuisde praal,
geen diepgravend gevroet,
de woorden eerder schraal.
Wellicht iets te ascetisch,
maar met een glimlicht hier en daar,
wordt het zo toch nog wat esthetisch.
Zoals het leven is van velen:
sober, zonder een groots gebaar,
maar rijk genoeg om het te delen.
Transformatie
Een schamel en gescharreld ontbijt,
op straat, in voegen tussen stenen,
geen klagen, of meelijwekkend wenen,
noch zichtbare afgunst of vrucht'loze nijd.
Vroeger trots gekleed in rijke kleren,
bestemd voor een goddelijk bestaan,
nu gesnaveld en getooid met veren,
als schut, en ze herinneren zich eraan,
hoe zij, dochters van Atlas en Pleione,
die met Artemis in de bossen jaagden,
belaagd werden door Orion's hormonen.
De hitsige jager die het overmoedig waagde,
zich ongevraagd met godendochters te belonen,
stootte plots op duiven in plaats van maagden.
Het blauwe uur
Daglicht wil nog geen afscheid nemen,
maar het blauwe uur wordt steeds meer nacht,
in tonen die naar het zwarte zwemen,
door een zwakke maan voor even nog verzacht.
Na ochtend, middag, nu het gedempte avondlicht,
een verkleedpartij, een schemerende maskerade
- in dit wispelturig uur, telkens een nieuw gezicht -
dingen verzettend in een fluisterende parade.
Vragen zijn vooreerst gebleven:
waarom vanavond blauw, maar morgen niet?
Verwondering is toch het mooiste in dit leven.
Zo wordt de vroege avond, voor ieder die het ziet,
een geschenk dat zomaar wordt gegeven,
voor jou bestemd lag het verborgen in 't verschiet.
Tanden van de tijd
De Griekse houwers maakten mooie beelden,
van Artemis, Athena en van Aphrodite,
marmer veranderde in vleselijke weelde,
voor tempels en sacrale riten.
Niet alles is helaas bewaard gebleven.
Nieuwe religies, vandalen of onachtzaamheid,
kostten ze voortijdig hun kwetsbaar aardse leven,
wat bleef werd aangevreten door tanden van de tijd.
Er worden nog wel sculpturen teruggevonden,
vaak zonder neus, een hoofd, een arm, of been,
fragmenten slechts, de schoonheid ruw geschonden.
Wat zou de beeldhouwer vinden van zulke resten?
Zou hij vragen: Waar moeten al die brokken heen?
Naar het museum, of is grof vuil wellicht het beste?
Vragen
Het leven heeft hem vaak bezwaard,
niet wegens somberheid, of gebrek aan zegen,
meer door zijn permanent bezorgde aard
om vele dingen, waarover mensen zwegen.
Antwoorden heeft hij veel gekregen,
maar vragen waren hem het meeste waard.
In een vraag is zoveel verwondering gelegen,
door te vragen bleef het kind in hem bewaard.
Hij schudde vaak een hand, en vaker nog zijn hoofd,
wat is hem in dit wispelturig leven na gebleven?
Niet veel van waar hij ooit in heeft geloofd.
Zekerheden waren nooit zijn heilig streven,
- waarheid: een kaars die flakkert, maar snel dooft -
nieuwsgierig blijven was het doel in zijn vergankelijk' leven.
Bedacht landschap
Dwalend door een bedacht landschap,
contouren volgend, stap voor stap,
dralend waar zich wegen scheiden,
voeren perspectieven ver buiten haarzelf.
Verzonnen territorium voor vluchtige gedachten,
streken en vlakken, verwaterde kleuren,
onbezonnen motieven, lucht, water, land, en het
breken van wolken, of tekens in het zand.
Wie ziet, wat zo dikwijls niemand ziet, het
schone in de schijnbaar ongewone dingen,
die niet zich leiden laat door dat wat hoort, en het
gewone niet als uitsluitend argument hanteert,
die ziet in bloemen bergen, zeeën in een waterdruppel,
tonen en toevalligheden, tot dan toe ongehoord.
Herfst
De luchten grauw, maar vaak ook zeer betoond,
gestapelde wolken, tinten grijs met blauwe vlagen,
een zwakker licht, dat nochtans het verval niet schoont,
van wat er rest, wat planten, bomen moeizaam dragen.
Wat zich in zomerse overdaad heeft uitgewoond,
is nu een schrale erfenis, herinnert aan voorbije dagen.
Hopelijk was het alles waard en heeft het zich geloond?
Herfst noopt door zijn afvallige aard tot zulke levensvragen.
Een jaargetijde van het nog eens stil te willen staan,
op oude paden, gekoesterd, vaak ook platgetreden,
in grauwe mist, doordrenkt met waterige maan.
Wat blijft? Een hopeloze zucht naar zekerheden.
In de herfsttuin eindigt veel door stil vergaan,
maar wat opnieuw begint ontstaat uit het geleefd verleden.
Van nergens naar niets
Reizende, voorbij de dingen gaande,
van situatie naar situatie bewegend,
vertwijfeld voor verweerde spiegels staande,
als een oude zonnekoning, dof en verregend.
Onderweg ogen gezien met blikken die maanden,
handen gekust die nimmer hebben gezegend,
wegen gevolgd die zich hoopvol baanden,
maar die voerden naar nergens, overwegend.
Berooid en onttoverd, onzeker van binnen,
het lichaam warmend aan een dovend vuur,
wat geweest is zal wel niet opnieuw beginnen.
De reis kent doel, noch tijd of duur,
geen ruimte voor terugblikkend bezinnen,
het niets is elders en van een andere natuur.
Twijfel
Als dit waar is, waarom en voor hoe lang dan?
Oh twijfel, leenman van onbezorgde zekerheid,
jij houdt mij met je aarzelingen in jouw ban,
onrust sticht je en dompers voor tevredenheid.
Vertwijfeld ben ik niet, bezorgd wel om verstarring
en vermeende zekerheden, bange schaduwkinderen.
Vragen ontstaan uit weifelende verwarring,
ze zijn mij innig lief, ik wil ze niet verhinderen.
Twijfel is geen vloek, eerder een onverwachte gave,
zoals vuur dat Prometheus van de goden stal,
waarmee hij ons van afhankelijkheid heeft bevrijd.
Twijfel is niet beklemmend, eerder een tussenhaven,
voor het verkennend perspectief een geluksgeval.
Het is een offer aan de vlam van de nieuwsgierigheid.
De anderen
Onbaatzuchtig zijn de Griekse goden niet,
offerbereidheid hoort niet tot hun heilig wezen,
de armzalige sterveling die dat niet ziet,
wordt onbarmhartig een harde les gelezen.
De goden, in hun almacht, slaan graag toe,
als je je even neervlijt en er niet mee rekent,
wanneer je zorgen hebt, ziek bent, een beetje moe.
Je wordt vervolgd, of aan een rots geketend.
Wanneer je geloof aan goden is gedoofd,
dan moeten het wel de anderen zijn,
die gretig nemen wat jou is beloofd.
De anderen maken je graag klein,
ze nemen alles waaraan je hebt geloofd,
meestal uit eigen angst, niet altijd uit venijn.
Wat je zo mist
Wat is het dat je zozeer mist,
wat is het dat je ooit is weggenomen?
Hoe vaak heb jij je in een zekerheid vergist
en zijn je dromen achteraf niet uitgekomen?
Ongemerkt ben je het meeste kwijtgeraakt,
ook dat wat je eigenlijk nooit echt hebt bezeten.
Veel van je herinneringen zijn achteraf gemaakt,
en veel daarvan heb je weer veel te snel vergeten.
Ik zoek in het kadaster van verloren zaken
naar resten van wat me eens zo scheen te raken,
wat ik vind is minder dan ik had gedacht.
Wat ik verloren ben of nooit gehad heb in dit leven,
wil ik terug in zijn tomeloos gedroomde pracht,
al is het maar om het gelijk weer weg te geven.
Een andere tijd
De woorden gingen, of kwamen zoals ze zijn gegaan,
ze vonden wel of niet hun plaats in vreemde oorden,
waar veel gepraat werd over wat er is gedaan,
wat de een beviel, maar de ander niet bekoorde.
Steken gebleven in zompigheid van oeverloze waan,
te verward geraakt om het eenduidig te verwoorden,
onzeker geworden en besluiteloos blijven staan,
doofheid geveinsd voor het ongehoorde.
Wat ik deed heb ik vaak niet gewild,
en wat ik wilde niet altijd gedaan,
ondertussen: aan beide oevers tijd verspild.
We hebben u geroepen, maar nergens toe verleid.
U bent verder weg dan ooit bij ons vandaan.
U bent nog daar, maar deel al van een andere tijd.
Vergeten
Bladerend in verloren gewaande boeken,
verwijlende bij een onverwacht moment,
voor even ander leven dan het eigene bezoeken,
waarvan je kwijtraakte wat je ooit goed hebt gekend.
Toeval ligt verborgen in verlaten, stoffige hoeken,
op plekken die je door de jaren vergeten bent,
beschadigd geheugen laat zich soms willig verdoeken,
tot een beeld dat uiteindelijk wordt herkend.
Wat ooit gekoesterd is, maar werd verloren,
neemt onverwacht opnieuw bezit van mij
en is mij nu pas echt gaan toebehoren.
Het kort moment is snel voorbij,
een herinnering, in ander licht opnieuw geboren,
ik sluit het boek en zet het terug in de vergeten rij.
Dwalend in okertonen
Loof van tevredenen houdt niet eeuwig stand,
ook wat lang gedragen is blijft vallen niet bespaard,
al was er ooit een gemeenschappelijke band,
alles wat bloeit raakt uiteindelijk verjaard.
Tevredenheid: een pad als labyrinth beplant,
wie het verlaat wordt als afvallig nagestaard.
In een doolhof heerst de uitgangsloze wand,
ontsnappen gaat slechts met listigheid gepaard.
Het liefst dwaal ik in omgevingen zonder structuur,
abstrakte landschappen: een diversiteit van okertonen,
wellicht wat blauwe dissonanten en veel openheid.
Ontevredenen bepalen de minimale architektuur,
vorm ontstaat door hen die er zijn gaan wonen,
onrust groeit bij ongeduldigen na verloop van tijd.
Wat na is maar zo ver
Niemand heeft zichzelf ooit in het echt gezien,
het eigen gelaat bedoel ik, zonder intermediair:
een spiegel, selfie, etalageruit, of zoiets 'in between'.
Het gezicht, dat zo nabij is, en tegelijkertijd zo ver.
Je contouren kun je volgen, met één vinger, alle tien,
onevenheden voelend die zich voordoen her en der.
Beschrijven anderen hoe zij jou door hun ogen zien,
dan blijft zo'n beeld onvolledig, vaak ook precair.
Het eigen ongekend gelaat dreef menig kunstenaar
tot het zoeken naar een zelfportret in de ultieme staat.
Gelijkenis echter bleek meestal slechts benaderbaar.
Zovele pogingen, het doel zo dikwijls niet bereikt.
Een zelfportret is dat wat eigenlijk niet bestaat,
omdat het uiterlijk door innerlijk gewicht bezwijkt.
Scherven
Resten van gekleurd aardewerk of glas,
brokstukken van eens gekoesterde huisraad,
de vorm verloren van wat het ooit was,
uit onvoorzichtigheid, of een bruuske daad.
Soms schittert als een helle scherpe kras,
zonlicht dat breuklijnen even oplichten laat,
uit medelijden of uit ijdelheid - omnia vanitas -
voordat het die resten aan zichzelve overlaat.
Ooit, in Athene, schreven leden van de volksraad,
namen op scherven van gehate magistraten,
waarover ze uit angst in den regel zwegen.
Wie de meeste stemmen kreeg in dit beraad
moest voor tien jaar de stad als banneling verlaten,
nooit hebben scherven zoveel gewicht gekregen.
(On)mogelijke jaren
Ooit waren er de grote gebaren,
benijdenswaardige onbezonnenheid;
om je kleurenblind op te staren,
leven zonder veel angst of spijt.
Dan mengden zich onbezwaarde gedachten
met vragen waarop men geen antwoord kent.
Wat blijft er over, of is nog te verwachten,
van hem die het leven langzaam ontwent?
Van alles wat hij het liefste wou vergeten,
herinnert hij zich het meeste veel te goed,
ook al schransen er schapen in zijn tuin.
Alles wat hij eens zo zeker heeft geweten,
het bleek vermetelheid en overmoed.
Overigens: hij heeft schapen, noch een tuin.
Ontstaan van seizoenen
Kwirrelige bossages met kronkelende paden,
kwinkelerende kwintetten, sextetten, octetten,
de komst van de lente wordt heimelijk verraden
door vogels die luidkeels hun zinnen verzetten.
De opstand van leven laat zich niet beletten,
uit goede gronden gedijen kiemende zaden.
Bloei en verval worden verheven tot wetten
die naar aard hun karakter eigenzinnig ontladen.
Nog dwaalt Demeter van hot naar her,
kan het verliezen van haar dochter niet geloven,
maar terugkeer uit de onderwereld is niet meer ver.
Persephone schrijdt haar beloofde weg naar boven,
dodijnend, lichtend als een pas ontloken ster,
geen duistere god die haar dit stralen kan ontroven.
Torso
Elk overgebleven deel staat voor het geheel,
is in gebroken schoonheid toch volmaakt
door wat niet is - het voornaamst' bestanddeel -
dat verbeelding raakt en wakker maakt.
Brokstukken, fragmenten, ingetogen, niet teveel,
spanningsbogen, met kunnen en gevoel bewaakt
in een onvoorspelbaar compositorisch ritueel,
waardoor dood materiaal tot leven raakt.
En wat ontbreekt is juist wat de schoonheid is:
pars pro toto, het deel weerspiegelt het geheel.
Bericht uit het paradijs
Natuurlijk was het niet Pandora's schuld,
al opende ze dat vat met verschrikkelijke kwalen,
een duister erfgoed dat sindsdien de mens omhult
en tot een schaduw van zichzelf poogt te verschralen.
Natuurlijk was het ook niet Eva's schuld,
die voor een appel met verdrijving moest betalen.
Ook hier was nieuwsgierigheid oorzaak van tumult,
meer een kwaliteit dan het gevolg van menselijk falen.
Als dwaalgast van verbeelding, dochter van fantasie,
voert nieuwsgierigheid tot scheppingen, verzinsels,
soms goddelijk meeslepend, soms dromerige rêverie.
Het zijn goden evenwel die in hun meedogenloze jaloezie
- al zijn ze niets meer dan onze eigen hersenspinsels -
mensen straffen die ze niet verdragen kunnen als hun evenknie.
Oude dingen
Gemeend, dat was het zeker wel,
en hopelijk geen vergeefse moeite,
gespelde ernst op een wit vel,
gedachten die de schrijver boeiden.
Soms was er een verloren letter die te snel
de hele boel welhaast verknoeide,
en weerzien weerzin werd in slechts een tel,
wat men begreep, nochtans verfoeide.
Menige brief is vaak te vroeg geschreven,
anderen daarentegen veel te laat,
het juiste moment is meestal niet gegeven.
Een brief is vaak iets van oude mensen,
terugblikkend, ook met goede raad,
handgeschreven uiteraard, en met de beste wensen.
Tekeningen terugvolgen
Lijnen en krassen schrijden mompelend voorbij,
ongegeneerd verken ik hun karakter, verf en inkt,
taal noch teken trekken zich wat aan van mij,
die van de ene gedachte naar de andere hinkt.
Tekeningen lees ik van het eind naar het begin,
zoekend naar het moment van hun ontstaan.
Tekens, aanvankelijk schijnbaar zonder zin,
die vanuit niets hun eigen weg lijken te gaan.
Wat was het dat de tekenaar heeft doen bekoren,
een ervaring, een gedachte, een herinnering,
een speelse lach, een liefde, berg, of tranendal?
Terug dus, wat af is heeft zijn toekomst verloren,
geen ruimte meer voor toevoeging of verandering,
Alles blijft zoals het is, waardoor het nooit meer worden zal.
Afkijken
Als kind op school was afkijken streng verboden,
toch deed je het soms als men even niet keek.
Het was zoiets als het verzoeken van de goden
en had ook wat van een achterbakse streek.
Je leende ontberende kennis van een ander,
die naar je meende slimmer leek te zijn dan jij,
die beter opgelet had en vooral zeer schrander,
maar bovenal: die naast je zat in de lange rij.
Wat heeft de school er om godswil toe gedreven
het aan zoekende kinderen niet te gunnen:
na te doen wat anderen al zo veel beter kunnen?
Leren was en is dat nog steeds toch in het leven:
je laven aan pracht en praal van andermans veren.
Afkijken dus: dat is bij het leren zeer te prefereren.
Engel van de stad
Marini schiep paarden met meesterhand,
en ruiters die de weg vanzelfsprekend vonden,
die stapvoets reden door het Etruskenland,
voor ze hun onuitwijkbare strijd aanbonden.
"Engel van de stad", een boer zo rustig gaande,
de armen wijd gestrekt, gespreid als vleugels.
Dan bokkende paarden, op achterbenen staande,
de ruiter valt er bijna af, hij heeft geen teugels.
Mens en dier, eerst zo harmonisch schoon,
worden geduchte tegenpolen, elkaars prooien.
Ze vechten met een haast existentiële ondertoon.
Wie kan met deze angst nog hogere ogen gooien?
Welk beeld steekt Marini hier nog naar de kroon?
Hooguit dat vervloekte houten paard van Troje.
Teveel Trojes
Jongens en meisjes waren het, nog heel wat te bewijzen.
Een beetje verwend ook en bang voor wat gaat komen,
desondanks vervoerd door hun veel te grote dromen,
koploos bereid het noodlot tegemoet te reizen.
Odysseus, jonge vader die zijn waanzin veinsde, faalde,
net als Achilles, die zich als meisje tussen maagden hulde;
uitzichtsloze listen die niet het gewenste doel vervulden,
dat ze met verloren jaren, of hun leven duur betaalden.
De belegerde stad verging, het vuur vrat alles rauw,
overwinnaars niet gelouterd, maar vooral getekend,
geen helden die tenslotte huiswaarts keerden.
Homerus vertelde over het lot van elke man en vrouw.
Had hij wellicht met duurzame inzichten gerekend?
Al die Trojes naderhand tonen dat wij er niets van leerden.
Oude tekening
Ik zie de lijnen die ik zelf ooit schetste,
zoekende nog, onzeker over kleur en vorm,
de werkelijkheid die ik moedwillig kwetste,
me niet veel aantrok van traditie en van norm.
Nu kijk ik naar het motief dat me ooit raakte,
de verf verbleekt, de lijnen hier en daar vervaagd.
Ik zoek naar de jongen die dit beeld ooit maakte.
Is die er nog?, heb ik me afgevraagd.
Wat ik toen zag, is allang niet meer daar,
het landschap, aan een woonwijk teloorgegaan,
kleuren veranderden als mijn huid en haar.
Maar in die schets zie ik vooral wat bleef bestaan:
de drang van toen, het eigenzinnige gebaar,
de weigering om met de jaren mee te gaan.
Toelichtingen bij de sonnetten
Wat na is maar zover
Bij de sonnetten
Voornaamwoord
Antieke zangers, verhalenvertellers en auteurs, zoals Hesiodos, Homeros en Vergilius, maar later ook Dante, Petrarca, Chauser en Shakespeare, riepen vaak de Muzen aan ter inspiratie. De Muzen zijn de negen dochters van Zeus en van de Titanide Mnemosyne, de verpersoonlijking van het geheugen. Mijn Muze is Beate. Haar naam heeft een latijnse oorsprong en betekent: de gezegende. Zij inspireert mij bij het schrijven en het verbeteren van teksten en gedichten en beeldend werk, en eigenlijk bij mijn leven in het algemeen. Ik noem haar de tiende Muze.
Geknakte bloenen
In mijn jeugd droeg mijn grootmoeder mij vaak op om resten van bloemen te verzamelen die kooplui hadden achtergelaten na de markt op de Hof in Amersfoort. Ze maakte er drijfschalen van. Ik zie ze nog glashelder voor mij. Dit sonnet beschrijft de overgang van handelswaar naar afval. De schoonheid van de bloemen is na die transitie nog steeds aanwezig, voor wie het wil zien.
Melancholisch
Zeur niet. Neem het lieve voor lief, het is een dubieuze levenswijsheid. Tevredenheid is voor de wijzen en de dwazen niet datgene waar ze uiteindelijk op azen. Hoewel ontevredenheid een pejoratieve connotatie heeft, is het wel een drijvende kracht en een motor voor ontwikkeling.
Elegie
Dit sonnet gaat over ouderdom, de vrees voor de onherroepelijkheid van de dood en de wens om op enige wijze te overleven of voort te bestaan. De oude ruilt zijn bezit voor een vermeende en begeerde plaats in het hiernamaals. Wel wetend dat hij bedrogen wordt neemt hij desalniettemin het onzekere voor het zekere.
Karig
Dit sonnet spreekt - karig als het is - met weinig woorden voor zichzelf.
Transformatie
In de Griekse mythologie gaat het vaak om transformaties en metamorfosen. De Pleiaden in bovenstaand gedicht veranderden met hulp van Zeus vooreerst in duiven om aan de ongewenste avances van de grote jager Orion te ontkomen. Later werden ze in het hemelgewelf geplaatst als het zevengesternte, ofwel het sterrebeeld Pleiade. De jager Actaeon, een ander voorbeeld, zag per ongeluk Artemis en haar nimfen naakt, terwijl deze een bad namen. Artemis veranderde hem in een hertebok, waarna zijn eigen honden hem verscheurden. En Daphne veranderde in een laurierboom nadat ze belaagd werd door de god Apollo. Iets soortgelijks overkwam ook de nimf Syrinx, achtervolgd door de bokkige god Pan. Ze bad tot de goden om haar in een rietveld te veranderen, wat gebeurde. Pan maakte van enige stengels een panfluit waarop hij daarna zijn treurige muziek blies.
Het blauwe uur
Het is het verschijnsel dat er voor zorgt dat 's avonds, net na zonsondergang en bij bepaalde omstandigheden, de lucht en de omgeving een blauwe kleur aannemen. Deze schemering is bij fotografen zeer geliefd.
De tanden van de tijd
Een metafoor met betrekking tot het onvermijdelijke verval van mensen en dingen. Je kunt daar ook positief naar kijken. Uit verval kan iets nieuws ontstaan. Zo verhief de Franse beeldhouwer Auguste Rodin (1840 - 1917) de torso, de romp van het menselijke lichaam, tot zelfstandige kunstvorm, tot een afgerond non-finito. Voor zijn tijd was een torso vooral een rest van kunst, dat wat er nog van was overgebleven. Antieke beeldhouwers maakten geen gefragmenteerde beelden. Nu behoort de torso tot een zeer uitdrukkingsvolle uitbeelding van een lichaam en wordt door vele beeldhouwers toegepast. Ik kom hier nog op terug.
Vragen
Nieuwsgierigheid is, net als twijfel en verbeeldingskracht dat zijn, een belangrijke voorwaarde voor ontwikkeling. De stimulering van nieuwsgierigheid, twijfel en verbeeldingskracht zijn de belangrijkste kerndoelen bij opvoeding en levenslang leren.
Bedacht landschap
Adagium voor een fotografe, in dit geval voor mijn Muze Beate. Het landschap is bedacht, het verstoot tegen de regels van "land" en "schap". In dit sonnet wordt dit nogmaals beklemtoond, ook door te verstoten tegen de structuur van de versvorm. De rijmwoorden staan hier aan de beginregels van de kwartetten en de terzetten, in plaats van aan het einde ervan.
Herfst
Wat blijft? In de menselijke existentie is dit een essentiële vraag. We willen voortleven, over de grenzen van het aardse bestaan. Een voorstelbaar, maar niet realistisch verlangen. In universele zin is de vraag minder relevant.
Van nergens naar niets
Spiegels zijn verweerd, het vuur smeult nog, maar dooft langzaam. De zonnekoning schittert allang niet meer. Wellicht is er nog een tijdje een herinnerd bestaan, bij achterblijvers, zolang dat duurt natuurlijk. Daarna is er niets, waarmee niet gezegd wil zijn dat niets niets is. Het niets existeert waarschijnlijk, maar valt buiten ons kennen. Het is van een andere natuur.
Twijfel
Het is de kern van het zijn en de motor voor ontwikkeling. De Franse filosoof René Descartes (1596 - 1650) ontleende er zijn 'Cogito-principe' aan: "Dubito, ergo cogito, ergo sum" (Ik twijfel, dus ik denk, dus ik ben). Vertwijfeling daarentegen is eerder een rem, zoals bijvoorbeeld Hamlet ondervond bij zijn dilemma: "To be or not to be".
De anderen
"De hel, dat zijn de anderen" is een uitspraak van de Franse filosoof Jean-Paul Sartre (1905 - 1980) in zijn toneelstuk "Huis Clos" ("Achter gesloten deuren"). Anderen kunnen, stelt hij, onze ervaring van de werkelijkheid beperken door ons te reduceren tot vaste beelden, door eenzijdige karakteriseringen, of door ongedifferentieerde rollen die ons worden toegemeten. Hierdoor worden we ingeperkt, belemmerd en niet in onze essentie en individuele kwaliteit waargenomen.
Wat je zo mist
De stof waaruit dromen zijn gemaakt is etherisch, vluchtig en ijl, bovendien zeer kostbaar.
Een andere tijd
"Uit de tijd komen" gebeurt ons allemaal op den duur. Misschien kom je weer terug in de tijd, maar waarschijnlijk alleen als deel van een andere tijd.
Vergeten
Soms schiet je onverwacht weer iets te binnen wat je vergeten hebt. "Tebinnenschieten", ik schrijf het het liefste aan elkaar, als een flits zonder onderbrekingen.
Dwalend in okertonen
Oker is een aards pigment. De kleur komt van gehydrateerd ijzeroxide en varieert van dofgoud tot roestig bruin-geel. Blauwe pigmenten waren tot de negentiende eeuw de duurste pigmenten die in de schilderkunst werden gebruikt, vooral die welke ontstonden uit ultramarijn (van Lapis Lazuli). Het zijn voor mij kleuren om in te verdwalen.
Wat na is maar zover
Kunstenaars schilderen vaak hun eigen portret. Een vroeg zelfportret is dat van Albrecht Dürer (1500). Ook Rembrandt van Rijn (1606 - 1699) schilderde zich vaak zelf, met aandacht voor zijn verschillende karaktertrekken. Psychologische aspecten bij het vervaardigen van een zelfportret zijn er in de moderne en hedendaagse kunst veelvuldig, bijvoorbeeld bij Vincent van Gogh (1853 - 1890); Egon Schiele (1890 - 1918); Pablo Picasso (1881 - 1973); Max Beckmann (1884 - 1950); Charley Toorop (1891 - 1955) en zovele anderen. De metafoor van de "Spiegel van de ziel" duidt wellicht de grootste belemmering aan voor het doen slagen van een tevredenstellend zelfportret omdat de eigen ziel zo nabij schijnt, maar tegelijk zo ver is. De schilder werkt aan haar of zijn uiterlijk, maar feitelijk is het een strijd met het eigen innerlijk. Dit dualisme laat zich moeilijk vangen in een portret. Bij de Oostenrijkse schilder Oskar Kokoschka (1886-1980) is die strijd bij het maken van zelfportretten, of portretten van anderen, zeer zichtbaar. Vaak waren door hem geportretteerden niet tevreden met het resultaat. Waarschijnlijk voelden zij zich niet gezien, niet begrepen, of misschien zelfs betrapt.
Scherven
Ostracisme (ostrakon is Grieks voor scherf) was in de Atheense democratie de naam voor het schervengericht waarmee gehate machthebbers voor tien jaar verbannen werden. Tegenwoordig wordt dit begrip ook gehanteerd voor sociale uitsluiting van personen uit de samenleving.
(On)mogelijke jaren
(On)mogelijkheid is een thema dat mijn sculpturale werk beïnvloedt. Mijn sculpturen zijn vaak uitbeeldingen van (on)mogelijke gezichten uit de Griekse mythologie. "Onmogelijk" omdat ik de personen die ik vorm geef, niet persoonlijk gekend heb vanwege het tijdsverschil, of die niet echt hebben bestaan, behalve dan in verhalen. Ik probeer vorm te geven aan de concepten waarvoor ze staan. Tegelijk zijn ze visueel "mogelijk" door de kracht van de verbeelding. Verbeeldingskracht is het metaforische vuur dat de Titaan Prometheus ten behoeve van de mensen van de goden stal en waarmee hij hen beroofde van de uniciteit van hun kerncompetentie: het scheppen. Mensen werden door het bezit van de kracht van de verbeelding aan de goden gelijk. Ze zouden daarmee hun eigen goden kunnen scheppen, dat deden ze ook, of een tuin van Eden, of - zoals in dit gedicht - een gedroomde tuin met veel herinneringen. Een tuin met herinneringen die aangevreten worden in de loop van de tijd. Ik hanteer voor dat gestage geheugenverlies het beeld van kaalvretende schapen die men het liefste ontkent.
Ontstaan van seizoenen
Het ontstaan van de seizoenen is in de Griekse mythologie verklaard door de mythe van Persephone en haar moeder Demeter. Demeter is de godin van de landbouw en ze zorgt voor de aarde. Als haar jonge dochter Persephone wordt ontvoerd door Hades, de god van de onderwereld, zoekt Demeter haar vertwijfeld en laat ondertussen de aarde verkommeren.
Uiteindelijk grijpt Zeus, de oppergod, in. Omdat Persephone in de onderwereld een kleinigheid (pijnboompitten) heeft gegeten mag ze niet permanent terug naar de aarde. Er wordt overeengekomen dat ze een half jaar bij Hades blijft en een half jaar bij haar moeder. In de periode bij Hades laat Demeter de aarde afsterven (herfst en winter). In de periode van de terugkeer van Persephone (lente en zomer) bloeit de aarde weer op. En zo zijn dus de seizoenen ontstaan.
Torso
In dit sonnet ontbreekt de laatste regel van het eerste terzet. Het tweede terzet ontbreekt geheel. Je zou kunnen zeggen: dit sonnet is een torso, het is af zoals het is. De franse beeldhouwer Rodin (1840 - 1917) was de eerste beeldhouwer die de torso als zelfstandige kunstvorm introduceerde. Voordien zijn er beroemde torso's gevonden, bijvoorbeeld de Venus van Milo van Alexandros van Antiochia, 2000 v. Chr. Die beelden zijn evenwel niet als torso gemaakt, maar ze verloren ledematen in de loop van de tijd. Behalve Rodin zijn er veel kunstenaars die torso's maakten of maken: Camille Claudel (1864 - 1943) bijvoorbeeld, of Aristide Maillol (1861 - 1944); Alexander Archipenko (1887 - 1964); Wilhelm Lehmbruck (1881 - 1919); Julio González (1876 - 1942); Fritz Wotruba (1907 - 1975); Han Wezelaar (1901 - 1984); Eja Siepman van den Berg (1943). Het zijn er een paar, maar niet de minsten.
Bericht uit het paradijs
Verbeeldingskracht leidt tot vragen naar wat achter de dingen schuilt. Dat voert vaak tot de wens naar verandering en de behoefte aan vooruitgang. In dictaturen en andere totalitaire en op strikte ideologieën gebaseerde regimes zijn verbeeldingskracht, het zelf denken en nieuwsgierigheid een gevaar dat door strenge regelgeving wordt ingeperkt en met bestraffingen bij overtredingen wordt bestreden. Pandora mocht het vat dat ze kado kreeg niet openen. Adam en Eva was het verboden om van die lekkere appels te eten. Het zijn voorbeelden van ondoorzichtige en imperatieve dwangmaatregelen die er voor moeten zorgen dat "het paradijs" vooral de speeltuin blijft van de machthebbers.
Oude dingen
Een brief staat op de denkbeeldige lijst „Van oude mensen, de dingen, die verdwijnen...". Wie herinnert zich Couperus nog, of over een poosje wellicht de relikwieën van de correspondentie, zoals: een vulpen, postzegel, postbode, brievenbus. De beste wensen in brieven van oude mensen hebben betrekking op de ontvanger: Dat het je goed gaat! Dat is een gemeende wens. Maar niet minder hebben ze ook een bezwerende betekenis voor de schrijver zelf, die weet: met het verstrijken van de jaren wordt veel er niet beter op. Tel je zegeningen!
Tekeningen terugvolgen
Het werkwoord "terugvolgen" heeft in het sonnet niets van doen met het "terugliken" van bijdragen van personen die jou in een sociaal netwerk hebben "geliked".
Ik gebruik het neologisme in de betekenis van "het spoor teruggaan tot het ontstaan". In dit geval gaat het om tekeningen die ik van achteren naar voren probeer te lezen. Van de eindversie naar hun mogelijk ontstaan. Met welk beeldelement zou de tekenaar zijn begonnen? Wat volgde? Kun je een tekening teruglezen naar dat moment om daarna de ontwikkelingsstappen door de ogen van de tekenaar opnieuw te zien? Waar is de tekenaar begonnen, en toen...? Het is een "mompelend proces", in de zin van voorzichtig, soms mokkend, onzeker, terughoudend. Je weet maar nooit. Het is ook een plechtig voortschrijdend proces. Het is verbonden met respect. Je bemoeit je tenslotte met het werk van een ander. Essentieel bij dit sonnet is de gedachte dat wat af is zijn toekomst verloren heeft. Veel waarmee men klaar is, is nog niet af. Je kunt zelf opnieuw ingrijpen in het ontwikkelingsproces, of anderen doen dat met jouw werk. Picasso veranderde nog schilderijen in een galerie met werk dat al was verkocht. Een pianist die een Schubert Sonate speelt interpreteert het werk waardoor het verandert. Ikzelf verander voortdurend mijn tekeningen, schilderijen, sculpturen, of gedichten. Ook als ik ze eerder als "af" heb verklaard. Overigens zijn lang niet alle veranderingen een verbetering en heb ik me zelf vaak een "reset-knop" gewenst.
Afkijken
Een school is een leer- en leefgemeenschap. De kernopgave van leerkrachten is niet de diagnose van wat kinderen niet kunnen. Het gaat er om ze moed te maken bij wat al gaat.
Engel van de stad
De Italiaanse beeldhouwer Marino Marini (1901 - 1980) maakte vele prachtige ruiterstandbeelden. Eerst waren dat beelden van boeren die hij door het Toscaanse land zag rijden. Later werden die ruiters expressieve uitbeeldingen van angsten en verloren controle van de moderne mens in de 20e-eeuwse beeldhouwkunst. Zijn Etruskische ruiters veranderden na de tweede wereldoorlog in apocalyptische sculpturen. Miracoli (Wonderen) noemt hij ze. In deze werken is de ruiter vaak machteloos en stort van zijn paard. Marini verbeeldt zijn persoonlijke wanhoop over de toestand van de wereld door de oorlog. Het Nederlandse museum Kröller-Müller bezit een indrukwekkende ruitersculptuur van deze kunstenaar. Het gaat om een houten beeld van een paard en berijder, waarbij de laatste bijna afgeworpen wordt. Het werk is beschilderd en stamt uit de periode 1951 - 1955.
Teveel Trojes
De "Ilias" van Homeros vertelt over een relatief korte periode: 51 dagen uit het tiende en laatste oorlogsjaar, uit de strijd van de Grieken om Troje. Het gaat vooral om leed dat jonge mensen overkomt en dat ze ook zelf anderen aandoen. De Franse filosofe Simone Weil (1909-1943) schreef aan het begin van de Tweede Wereldoorlog het essay "De Ilias, of het gedicht van de kracht". De 'kracht' is een blinde macht die zowel de Grieken als de Trojanen onderwerpt. Wie vandaag overwint, zal morgen door het noodlot worden verpletterd.Ze gebruikte het epos over de Trojaanse oorlog als een spiegel voor de moderne tijd om te waarschuwen dat blinde overgave aan ideologie altijd leidt tot de vernietiging van de menselijke waardigheid. Een paar honderd jaren na de "Ilias" van Homeros schrijft Euripides zijn drama "De Trojaanse vrouwen", bedoeld als kritiek op oorlogsgeweld, gerelateerd aan de wrede onderdrukking van Melos door Athene in 415 v.Chr. Vele "Trojes" volgden nadien, tot op de dag van vandaag.
Oude tekening
Dit gedicht over een oude tekening, met als kern de zin: "Ik zoek naar de jongen die dit beeld maakte. Is die er nog?, heb ik me afgevraagd", is de afsluiting van dertig voornamelijk retrospectieve sonnetten. Het gaat over de weerstand tegen het verouderd raken.